De lange mars naar de hemel.

Herfst 2011

De uitvalsbasis van de Witte Wieven.

Oioioioioi!!! Het is helemaal mis met mijn “schrijven”. Ik heb alle oude stukjes nog eens gelezen. Slecht tot heel slecht!!! Onsamenhangend en verward. Afgekloven woordcombinaties en te veel bijvoeglijke naamwoorden. Het zouden korte, treffende zinnetjes moeten zijn vol met woordvondsten en taalgrapjes. De inhoud zou licht moeten zijn en de vorm sober. Jonge mensen zouden er zich , vooral om commerciële redenen, in moeten kunnen herkennen. Maar ik ben oud. In jolige en jeugdige kringen spreekt men wel van een “oude lul”. Ik kan alleen als een “oude lul” schrijven. Dus met lange zinnen. Met veel bijvoeglijke naamwoorden. Met krullen en versieringen. Als ik zeg dat het helemaal mis is met mijn “schrijven” dan doel ik uiteraard ook op de onontkoombaarheid van mijn tragische noodlot als talent-arme “oude lul”. Helaas kan ik alleen maar “schrijven” als “oude lul”. Een “oude lul” met een overduidelijk gebrek aan noemenswaardig commercieel of artistiek schrijftalent. Natuurlijk zijn er tientallen talentvolle oude schrijvers aan te wijzen die wel excelleren in eenvoudig, edoch doelmatig taalgebruik, die het gebruik van de simpele metafoor niet schuwen en die hun zinnen kort tot zeer kort houden. Maar nogmaals, dat alles geldt niet voor mij. En, als schrale troost, ook niet voor de vele tienduizenden mensen die, geheel in lijn met het dogma van de roze bril, wel van zichzelf vinden dat ze tot de beste, maar helaas en volstrekt ten onrechte, nog niet ontdekte, schrijvers ter wereld behoren. Laat overigens onverlet, dat ik van mening ben dat ik zelf best goed met de pen kan fantaseren.

De dageraad hangt als een lijk aan een galg boven de verre horizon (kijk, dat bedoel ik nou!) Alles is grijs. De regen valt gestaag. Druppels kletteren driftig op de capuchon van mijn gekreukelde plastic regenjack. Het is windstil. Slechts het gegorgel van de regen, die zich altijd weer een weg zoekt naar lager gelegen delen, verstoort de rust. Naast mij loopt de hond. Een braaf beest. Oud en betrouwbaar. Hij blaft alleen als het echt nodig is. Hij is introvert. Op zijn gezadelde rug zit de kabouter. Mijn kabouter. Ik ken de kabouter al zo lang als ik leef. Hij is mijn geweten. Vreemd genoeg ben ik nooit geboren. Ik ben er altijd al geweest. Steeds weer in de vorm van nieuwe personages. Soms een bakker, dan weer een gescheiden boekhouder, maar ook redelijk vaak een losbollige zeeman. Momenteel zwerf ik hier rond in de gestalte van een gelukkig getrouwde jonge piloot met ziekteverlof. Net de ziekte van Pfeiffer achter de rug. Aansterken. Wandelen op het strand met de hond en de kabouter. Mijn kabouter zegt nooit erg veel. Maar als hij wat zegt is het ook meteen raak. U kent ze wel, die kabouters die nooit wat zeggen. Maar als ze dan een keer hun mond open doen is het niet voor niks. Ja, die rake droge humor, die kan er behoorlijk inhakken.
Nou, zo’n soort kabouter heb ik.
Dreig ik te ontsporen dan weet de kabouter me met een gevat woord of een absurde grap weer op de rails te krijgen. Werkt zijn terechtwijzing niet, dan wordt ik gedwongen van personage te veranderen. Gelukkig gebeurt dat niet zo vaak.

Het is stil op het strand. De zeemeeuwen zitten lamlendig op het natte zand en kijken weemoedig over de stille zee uit. De hond gaat iets sneller lopen, daartoe aangespoord door de kabouter. Ze draven nu voor mij uit. Ik zie de kwast aan het rode puntmutsje op en neer gaan. Het is nog te vroeg voor andere mensen op het strand. Plots staat de hond stil en geeft één blaf. De kabouter is afgestegen en staat te kijken naar iets dat half in het zand begraven ligt. Ik kom naderbij en zie dat het een prachtig bewerkt kistje is van ebbenhout (bij mij zijn gevonden kistjes altijd van ebbenhout). Ik pak het kistje en maak het open. Zacht sissend ontsnapt een zwart gas. Boven onze hoofden vormt dit gas een soort voertuig. Wij stappen in en vliegen weg. Ik ken het klappen van de zweep. Ik ben piloot. Wij vliegen steeds sneller en hoger. Boven ons wordt door een langzaam naar voren schuivende transparante overkoepeling geleidelijk de ruimte afgesloten waarin we ons bevinden. Ik zit achter de knoppen en roep “Hou je vast, we gaan alweer landen” Beneden ons ligt een eilandje in een onmetelijke oceaan. Een groene stip in een onafzienbaar vlak van blauw. Palmbomen en een strand. Even verder een houten huisje. We gaan er binnen en staan terstond midden in een drukke stad. Geen gewone stad, nee, een stad van de toekomst. U kent ze wel, die steden van de toekomst. Hele hoge dunne gebouwen. Kleine zwevende autootjes en veel groen van exotische onbekende bomen. Sommige bomen zijn nog hoger dan de hoogste gebouwen. En dan praten we echt over enkele kilometers. De kabouter zit inmiddels weer in het zadel bovenop de hond. De hond sjokt voort. “We gaan naar God”, zegt de kabouter. “Naar God?”, vraag ik verbaasd. “Ja, naar de baas die jullie gemaakt heeft. Die noemen jullie toch God”, zegt de kabouter betweterig. Ik doe er verder het zwijgen toe. We staan voor het hoogste gebouw van de stad. Een enorme deur. Honderden meters hoog. Boven de deur staat in kolossale gouden letters “GOD”. We zijn er, zegt de kabouter, schoenen uit. Je mag hier alleen zonder schoenen naar binnen!
In die immense deur zit een heel klein deurtje. Net groot genoeg om ons binnen te laten. In een klein en knus kantoortje zit een ouderwets geklede man achter een enorm cilinderbureau. “U wenst?” vraagt hij. Voor ik wat kan zeggen roept de kabouter: “Wij zoeken de WAARHEID. Deze meneer hier “, en hij wijst met zijn piepkleine vingertje naar mij, “zoekt de WAARHEID”. “U bedoelt GOD”, zegt de man vermanend. “Daar is de lift. Bovenste verdieping”.
In de lift zoeven we met zijn allen naar boven.
Als de liftdeuren open gaan stappen we uit in een smalle gang. Op de muur tegenover de liftdeuren bevindt zich een bord met een pijl naar rechts. HEMEL (honderd miljard lichtjaren) staat erop. Wij lopen een klein eindje naar rechts en bemerken dat het einde van de smalle gang inderdaad niet te zien is. Alle lijnen vloeien naar één punt. Dan kijken we ook maar even naar links. Daar blijkt de gang al snel te eindigen en uit te komen op een soort massieve kluisdeur. HEL staat er op geschreven met vlammende rode letters. Door de kieren van de kluisdeur kringelt wat zwarte rook naar boven.
Wij kijken achter ons. De liftdeuren zijn verdwenen!!! De kabouter neemt meteen een beslissing. Naar rechts, piept hij benauwd.
Dat alles is nu al heel lang geleden en wij lopen nog steeds.

Advertenties

5 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

5 Reacties op “De lange mars naar de hemel.

  1. Weet je zeker dat het een kabouter is? Misschien is het wel een goede fee in kabouterkleren! 😉

  2. Helemaal de aandacht vastgehouden tot het eind.
    Geweldig !

    Vriendelijke groet,
    Simen Vrederat

  3. Wow, Fantastisch artikel, het is zo handig voor mij, en je blog is zeer goed,
    Ik heb veel geleerd van je blog hier, Blijf gaan, mijn vriend, ik zal een oogje houden ophet,

  4. Filip

    Zoals we alle weten is de weg naar de hel geplaveid met goede voornemens, zou in analogie daarmee de weg naar de hemel dan met slechte keuzes zijn geplaveid ? Zou dat verklaren waarom de weg naar de hemel zo oneindig lang is. Een slecht verstand zet de bezitter ervan aan tot slechte keuzes, dientengevolge moeten diegenen zonder verstand over goede benen beschikken.
    Is het toevallig dat het geweten van de mens in zijn verscheidenheid van vormen hier in dit verhaal de gestalte heeft van een kabouter ? Het slechte geweten moet dan wel reusachtig zijn …

    Weer veel dubbele bodems om zich aan te laven in dit vertelsel van ReinJohn, een zeldzame en voor mij daarom erg waardevolle schrijfstijl die me erg genegen is …

  5. Voor wie de moeilijke weg van rechtschapenheid bewandeld heeft, voor hen die als dommeriken versleten werden door hun niet door hun geweten gehinderde en opportunistische medemens lijkt deze tekst de bevestiging van de bijbelse profetie te vertalen :

    Zalig de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. Zalig zijn zij die treuren; want zij zullen vertroost worden.

    Hier moeten we echter enige beduchtheid aan de dag leggen, is er immers ook niet een volkse profetie die zegt :

    Veel beloven en weinig geven doet de zotten in vreugde leven…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s