Verhaal zonder grenzen.

Ergens in een bos bij een vijver

Ergens in een bos bij een vijver.

De verheven idealen en onschuldige naïviteit van mijn jeugd hebben door de tand des tijds hun scherpte verloren en zijn door mij, net op tijd, als overbodige ballast opgeslagen in het pakhuis van verloren dromen dat zich ergens op het lelijke en saaie niemandsland tussen pubertijd en midlifecrisis bevindt. Daarna begonnen alle moderne en vernieuwende ontwikkelingen steeds vaker aan mij voorbij te gaan. Het verlokkelijk glimmen en glinsteren van have en goed bracht mij niet langer van mijn stuk. In die periode werden muziek en literatuur de belangrijkste zaken in mijn leven. Het was gelukkig niet anders. De prijs die ik voor deze rust moest betalen was weliswaar hoog maar laat zich godzijdank niet uitdrukken in banale en volkse termen van gemist materieel levensgeluk. Nee, achteraf bezien moet ik concluderen dat het echt niet anders kon. Het moest wel zo zijn dat mensen, ook veel van mijn vrienden, van mij vervreemd raakten.
Ik metamorfoseerde geleidelijk in een in zichzelf gekeerde kritische zonderling die de geboorte van een nieuwe tijd met uiterste scepsis gadesloeg en knorrig becommentarieerde. Daarbij zij wel aangetekend dat mijn voortdurende zoektocht naar de grondvesten van een absolute ethiek een aanzienlijke wissel trok op mijn geestelijke uithoudingsvermogen. Die vermaledijde queeste naar een wetenschappelijk te duiden grens tussen goed en kwaad!!!!! Als een charlatan-achtige dokter Faust was ik bereid mijn ziel aan het kwade te verkopen teneinde het goede te winnen. Welk een droevig misverstand!!!
Het verhaal begint op een prachtige zomerochtend, als ik vroeg ben opgestaan met, voor de zoveelste keer, slechts één doel voor ogen, namelijk, mijn nog steeds onwillige geest open te stellen voor de betoverende en verleidelijke influisteringen van de langzaam ontwakende natuur.
Het is heiig. Het zonlicht prikt hier en daar door de lage oplossende bewolking en een voorbode van kilte ligt omineus verscholen onder de directe koesterende warmte van die omfloerste laatzomerse zonnestralen. De bospaden verwarren zich in een spannend doolhof waardoor ik genoodzaakt ben om op geleide van de zonnestand mijn weg te zoeken. Het aarzelende zonlicht valt schuin door de grondnevel tussen de naar één kant licht overhellende boomstammen. Het is een traktatie voor lichaam en geest om in het bos van de nazomer rond te dolen en het geeft onvermijdelijk aanleiding tot sereen en diep nadenken over het nut en de noodzaak van mijn bestaan. Mijn spiritueel smachtende “ik” reikt tevergeefs naar onbereikbare hoogten. Voor de zoveelste keer moet ik mij met tegenzin schikken in mijn intellectuele onvermogen om een echte waarheid te ontdekken. En mijn nederlaag lijkt eens te meer beklemtoont te worden door de spottend klinkende zang der vogelkens in het belendend struweel.
Plots echter bespeurt mijn oog een vermoeden van beweging. Ik zie een klein knaagdiertje – een muis? – in de berm langs het bospad bewegen. Zo stil mogelijk tracht ik het diertje met mijn fototoestel te attraperen. Ingespannen tuur ik door de lens. En wat ik zie is zo gruwelijk, dat ik bijkans het toestel uit mijn handen laat vallen. Het kleine beestje met het lichaam van een muis, heeft een menselijk gezicht. Een piepklein menselijk gezicht. Het zegt iets dat ik niet direct kan verstaan. Ik kom naderbij met mijn fototoestel. En nu hoor ik heel ijl en ver weg wat het diertje zegt: “Een verandering uit het niets, hoe klein deze ook moge zijn, verandert alles”. Alles wordt even wazig voor mijn ogen. Als ik weer kan kijken zie ik een doodgewoon veldmuisje , dat van mijn verwarring gebruik maakt om te vluchten.
Het komt mij voor dat het zonlicht een paar tinten is verschoven en nu naar een volle goudkleur zweemt. De contrasten zijn wat minder scherp geworden en ik bemerk tot mijn schrik en verbazing dat ik plots gehuld ben in een zwarte mantel die ik draag over een lange zwarte robe, Aan mijn voeten priemen een paar ferme hoge laarzen. Ook zwart. Ik zijg handenwringend ter aarde en kan slechts een verstikt gejammer teweeg brengen. Het wordt mij teveel!. Ik verlies het bewustzijn en moet een langere tijd in flauwgevallen toestand op het bospad hebben gelegen. Als ik geleidelijk weer tot mijzelf kom staat een grote gouden zon hoog aan het zwerk en is de hemel van een geruststellende lichtblauwe kleur, opgevrolijkt door ragfijne witroze schapenwolken. In het veranderde licht lijken de bomen veel groter en het bospad veel smaller. In een van de zakken van mijn habijt voel ik sleutels. Mijn autosleutels. Inderdaad autosleutels, maar anders. Op een van de sleutels staat “Renault Reine”. Het zegt mij niets. Ook de andere sleutels komen me niet bekend voor. Zijn grover van uitvoering en gemaakt van een zeer zwaar en mij onbekend metaal. Het omringende bos is authentieker geworden, woester en niet onderhouden. Het is een woud geworden. Ik huiver en loop uiterst voorzichtig, op geleide van de zonnestand, in de richting van de plek waar ik, in een andere werkelijkheid, mijn automobiel heb gestald. Op die vermoedelijke plaats tref ik een oud, scheef gezakt bouwsel. Een herberg, naar het blijkt, met een rietgedekt dak. Op een, in de koele bries, licht bewegend uithangbord staat geschreven “In den Vrolijcke Guit”. Naast de herberg staat een voertuig geparkeerd. Een zwarte koets met details van glanzend messing en met prachtig geslepen ramen. Het rust op manshoge gespaakte wielen voorzien van gitzwarte luchtbanden. Een klein schildje op de schuin afgevlakte voorkant vermeld: “Renault Reine”. Ik pak de desbetreffende zware autosleutel en kan zonder belemmering het massieve portier open maken, overigens niet nadat ik daartoe op een aan het voertuig bevestigd opstapje ben gaan staan. Het interieur oogt als de binnenkant van een sombere doodskist. Veel zwart kant. Banken van donkerrood leder en ebbenhout. Vermoedelijke bedieningshendels uitgevoerd in een soort gietijzer en iets dat sterk op ivoor lijkt. De geur is overweldigend. Een mengeling van ozon en leder.
Ik sluit het massieve portier dat met een donkere dreun in zijn sponningen valt. De grond is zanderig met hier en daar sporen van grint.
Als ik de deur van de herberg open, moeten mijn ogen wennen aan een sepia-achtig gekleurde ruimte. De vloer bestaat uit verweerde zwarte planken. Het meubilair lijkt van ebbenhout. Er hangen zware gordijnen gemaakt van prachtig donkergroen fluweel. De ramen van de herberg zijn gemaakt van geslepen glas dat flonkert in het licht der gouden zon. Het geheel maakt een oeroude indruk. Nadat mijn ogen zich hebben aangepast aan het veranderde licht, ontwaar ik rechts van mij een kolossale bar voor een kast waarin op brede schappen een keur aan kristallen karaffen staat elk gevuld met weer een ander soort drank. Het donkere kleurenpalet dat, vreemd genoeg, toch een zwak flonkerende indruk maakt, vermengt zich op natuurlijke wijze met het amberkleurige licht dat van buiten door de vensters van geslepen glas valt.
Achter de enorme bar staat een zwaar gebouwde kale waard. Gekleed in een fel groen-rood gestreept gewaad. “Meester Lamentarus, wat verschaft ons de eer van uw bezoek?”, roept de waard mij opgewekt toe. Ik pak mijzelf tezamen en besef dat alles nu van mijn reactie afhangt. “Een frisse neus en een heerlijk bakje koffie met een vers pasteitje”, antwoord ik baldadig. “Komt eraan, meester”, zegt de waard. “Al nieuws over de zwavelzuurgooiers?” “Nee, zeg ik werktuigelijk, we zoeken nog steeds. Hoeveel ben ik u schuldig?” “Tweeënhalve schilling”, zegt de waard. Ik geef er drie. Laat de rest maar zitten.
In mijn voertuig gezeten stop ik de zware sleutel in een soort zilveren sleutelgat dat zich op het stuurwiel bevindt. Ik draai de sleutel om. Er gebeurt niets. Na 10 seconden gaat er een groen lampje op het stuurwiel branden . Een vrouwenstem zegt. Ik ben klaar als u klaar bent. Aarzelend zeg ik, naar het dorp. De wagen komt in beweging. Ik grijp het stuurwiel. Dat is niet nodig. Het voertuig rolt met zeer lage snelheid over de grindweg door het bos en zoekt zijn eigen weg. Het stuurwiel beweegt vanzelf mee met elke richtingverandering. Langzaam wordt ik langs de kant van de weg huizen gewaar. Maar niet de huizen zoals ik ze ken. Ze hebben de meest grillige vromen. De daken lopen pits toe. De bouwmaterialen zijn steeds zwarte of donkerrode natuursteen, ebbenhout en kristal. Het is alsof ik een sprookje binnenrijdt. Inmiddels is het wegdek veranderd in zware, platte, grillig gevormde, maar toch precies in elkaar passende platen van leisteen of een andere steensoort die er precies op lijkt. De straten worden omzoomd door statige, reusachtige loofbomen. En geen enkele straat is recht. Er zijn pleinen met prachtige fonteinen en imponerende standbeelden, gehouwen uit donkerrood marmer. Het voertuig stopt voor een wat groter vrijstaand gebouw met twee spits toelopende torens op de hoeken, een massieve, grote en uiterst kunstzinnig gebeeldhouwde deur gaat vanzelf open om mij de doorgang te verlenen. In een ruime hal zie ik achter een wit marmeren balie een aantal mensen zitten die druk aan het werk zijn. Zij werken met beeldschermen die gevat zijn in lijsten van zuiver lichtgroen onyx. De beelden zijn bijna scherper dan de beelden die de werkelijkheid ons rechtstreeks via onze ogen biedt. De kleding van de beambten is statig en zwierig tegelijk, waarbij donkere tinten overheersen en hier en daar wordt het geheel op een beheerste en deftige wijze opgevrolijkt door een diep glanzend rood of helgeel detail. Ik loop naar de balie en wordt aangestaard door een knap meisje met kersenrode lippen en een albasten gelaatskleur. “Wat kan ik voor u doen, meester Lamenterus?”, vraagt zij, terwijl zij mij vriendelijk en onderzoekend tegelijk aankijkt. “Ik heb een afspraak met notaris Magentus”, antwoord ik met de werktuiggelijkheid van een geoefende bezoeker. “Notaris Magentus is aanwezig. Ik zal u begeleiden naar zijn kantoor”, zegt het meisje. Zij staat met een vederlicht geruis van haar donkerpaars fluwelen gewaad op uit een kunstzinnig bewerkte en met lichtgroen trijp gepolsterde bureaustoel en schrijdt voor mij uit een, met donkerrood marmer betegelde, gang in waar, op geregelde afstand van elkaar, fraai bewerkte koperen muurlampen hangen, die met een zacht amberkleurig schijnsel de gang op een bijna sprookjesachtige wijze verlichten. Zij blijft staan voor een massieve ebbenhouten deur en gebruikt de zilveren deurklopper om meester Magentus te verwittigen dat er bezoek is voor hem. “Treedt binnen”, hoor ik van veraf een oude, wat krakende stem, op luide toon roepen. De deur zwaait open en ik betreedt een enorm grote en hoge kamer die beschenen wordt door hetzelfde amberkleurige licht als in de gang. Dit keer is omfloerste licht afkomstig van de dralende stralen van een gouden najaarszon dat door de gebrandschilderde ramen schuin naar binnen valt. Tussen de gebrandschilderde ramen die gevat zijn in spits toelopende gotische omlijstingen hangen schilderijen die allemaal een romantisch landschap voorstellen. Landschappen zoals Claude Lorraine ze zou hebben kunnen schilderen. Maar de details zijn prominenter aanwezig. Zijn duidelijker zichtbaar. Aan de rechterkant van de kamer bevindt zich een manshoge open haard waarin een vuur zo nu en dan fel oplaait onder het verspreiden van een uitbundige vonkenregen. Voor de haard staan twee lederen fauteuils en een lage tafel waarvan het tafelblad is vervaardigd uit het kostbare carneoolonyx met de bekende in elkaar verstrengelde vuurrode en witte lagen. Het tafelblad wordt gedragen door vier uiterst artistieke uit roodkoper vervaardigde kariatiden.
“Meester Lamentarus, om u te dienen meester”, zegt het meisje, “Hij heeft een afspraak. Het gaat over de onteigeningen in verband met de bouw van het transitiestation”. Achter in de grote donkere kamer met het hoge plafond, waar op weelderige wijze imponerend stucwerk is aangebracht, zit meester Magentus achter een immens cilinderbureau van donker Djatihout. De voorpanelen van het kolossale bureau worden verfraaid door verfijnde intarsia, zo delicaat en mooi als ik nog nooit heb mogen aanschouwen. Meester Magentus komt achter zijn bureau vandaan en komt mij tot halverwege de kamer tegemoet. Hij heeft zijn beide armen uitgestoken en begroet mij als ware ik de verloren zoon in eigen persoon . “Meester Lamenterus, wat een eer u weer te mogen begroeten”, jubelt de notaris met een hoge, ietwat hese stem, “Neemt u toch plaats bij de haard” . Meester Magentus die gekleed is in een streng ogend zwart lakense pak en een scharlaken rode cape, gaat zelf ook zitten in een van de twee immense oorfauteuils van soepel donkergroen elandleer. Ik nestel mij in de schoot van de stoel. “Marieke, breng ons koffie en cognac. We hebben belangrijke dingen te bespreken” Het knappe meisje, dat dus Marieke heet, maakt het begin van een reverence en verlaat vervolgens gehaast de kamer.
“Welaan, mijn beste Lamenterus, laten we meteen ter zake komen”, zegt de notaris. “Uw verzoeken hebben wij in de diverse akten vastgelegd en zijn ter beoordeling aangeboden aan het opperste Presidium van de Stadsraad. Het is nu wachten op de goedkeuring”
Ik schraap mijn keel en neem een deemoedige houding aan. “Zou het wellicht mogelijk zijn om nog wat kleine wijzigingen in het oorspronkelijke plan aan te brengen?” , vraag ik op bescheiden toon.
“Daar vraagt u me nogal wat”, roept meester Magentus verschrikt uit, “de akten zijn al door het Openbaar Ministerie geaccordeerd. Maar voordat we verder gaan zal ik even de kopieën erbij halen”. Meester Magentus staat op en verlaat de kamer door een deur naast zijn bureau. Ik sta op om naar de taferelen op de schilderijen te kijken. Ze zijn van een wonderbaarlijke gedetailleerdheid. Elke grasspriet staat er haarscherp op. Ik buig mij naar het meest linkse schilderij. Een boerderij tegen een bosrand met op de voorgrond wat struikgewas en bijna door riet overwoekerde sloot. Ik kijk scherper en zie tussen het riet een vogel. Een fuut. Plots begint het beeld te trillen. De omtrekken van de fuut tekenen zich nog scherper af tegen de groen-bruine achtergrond. De kop van de vogel verandert en wordt vervangen door de verwrongen gelaatstrekken van een kwaadaardige sater. Weer hoor ik een ijle stem. “Dit is de prijs die moet worden betaald voor de kennis van goed en kwaad”. Ik staar als gebiologeerd naar het monsterlijke wezen in het schilderij. Mijn omgeving vervaagd. De kamer lost op. Tegelijk wordt ik geweervuur en kanongebulder gewaar. Ik sta in een modderige loopgraaf met een lang geweer in mijn hand. Om mij heen klinkt afschuwelijk gekerm en vallen onophoudelijk granaten. Ik struikel als ik terugdeins voor het plotselinge geweld. Onder mij ligt het uiteengereten onherkenbare lichaam van een soldaat. Dan explodeert de lucht om mij heen en wordt alles duister.

In een ruim en licht kantoor op de dertiende verdieping van een gebouw in Tel Aviv zit ik achter een stalen legergroen bureau. Tegenover mij staat het hoofd van de Mossad. “Ik kan hier dus blind op varen?” vraag ik hem. “Er bestaat geen twijfel” , antwoord de man. “Dan is dus de nucleaire optie geen optie meer, maar in feite nog onze enige mogelijkheid?”, concludeer ik. “Ik kan er niets anders van maken”, bevestigt de man van de Mossad. “Okay, dan vallen we aan. Ik zal het bevel geven. God zij ons genadig”.

Advertenties

4 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

4 Reacties op “Verhaal zonder grenzen.

  1. Mijn vorige bijdrage is waarschijnlijk door ingrijpen van de here god zelf niet aan de OBA-mensen gepresenteerd. En dat is jammer. Want het was mijn eerste schrijfoefening waarbij ik mijzelf in de persoon van een vreemde had verplaatst en vanuit die positie zijn kijk op de wereld beschreef.
    Kan dat? Ik bedoel kun je wel helemaal als een vreemde schrijven? Nee……….natuurlijk niet!!!!! Er blijft altijd het substraat van je eigen karakterstructuur bestaan die de doelbewuste en misleidende waanzin van die uit de duim gezogen onzinverhalen vorm geeft.

  2. u is gezegend met een aangename fantasie, verwoord in een mooi hanteren van wat de taal bieden kan.

  3. Je hebt een ongebreideld schrijftalent. Daar zou je toch meer vorm aan moeten geven. Het is zonde dat er zo weinig zijn die over de helft komen is mijn vermoeden. En ik las eerder stukken van een flinke omvang die mij tot het einde boeiden. Dat zou hier juist omdat het eind zo sterk is ook moeten.

    Vriendelijke groet,
    Sander Miervet

  4. Door een lichte ongesteldheid was ik niet in staat eerder deze vleiende reacties te lezen. Wat ik op mijn weblog zet zijn probeersels. Ik ben aan het oefenen. Oefenen in het schrijven van mooie zinnen. Oefenen in het verzinnen van bizarre, aanstootgevende en verontrustende verhalen. Het leven kabbelt niet voort. Zeker niet!! Het leven woedt in al zijn hevigheid. En ik heb me opgeworpen om het woeden van dat leven uit te benen en voor consumptie geschikt te maken. Op dit moment ben ik doende informatie te verzamelen over Kerguelen Eiland. Een mysterieus eiland dat de top vormt van een enorm hoge berg, gesitueerd op het Kerguelenplateau, een verzonken continent dat de grootte heeft van een derde van het Australische continent. Er zijn resten gevonden van versteende bossen die negentig miljoen jaar oud zijn. Mogelijk dat hier sprake is van het verdwenen Lemuria. Moet ik nog meer zeggen! Maar dat is niet het enige. Het eiland bergt vele geheimen. En ik zal die geheimen, met gevaar voor eigen leven, gaan ontsluieren. Daarbij zij vermeld dat deze geheimen het lot en het aanzien van de wereld zoals we haar nu kennen, ingrijpend zouden kunnen veranderen. Ik dreig niet, ik waarschuw slechts.

    I Seek Thee through birth
    through Life and beyond the mystery called Death
    I seek Thee through illness and health
    I seek Thee
    in the dark of the night and in the light of the day
    I seek Thee lifetime after lifetime
    through this illusion called Life
    in this world of tragedy and triumph
    I seek Thee in danger
    and even while the sunlight smiles
    I see Thee
    through Time
    because Time does not matter
    I see Thee first
    knowing that all else shall be added
    unto me
    I see Thee my beloved Creator
    because You are Everything
    and the only One
    who matters
    to me.

    Amen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s