Altijd oorlog.

Wachten op de lente.

“Het wordt me niet gemakkelijk gemaakt”, zucht de man terwijl hij over het zoveelste uitgebrande autowrak klimt. In de verte is vaag kanonvuur te horen. Het wordt avond en de schemering waarschuwt de man voor de nacht. Hij gaat even met zijn rug tegen een half ingestorte muur zitten, doet zijn rugzak af en pakt zijn broodtrommel en veldfles. Het kleinere doosje met druiven laat hij nog even zitten. Met een donderend giergillend geweld komt een jachtbommenwerper over die zijn napalmbommen een kleine 400 meter verder afwerpt. Een briesend en grommend gordijn van ziedende vlammen en roetzwarte rook onttrekt de horizon aan het gezicht. “Allemachtig”, klaagt de man, “Het is goed raak vanavond”.
Vanachter een deels verschroeide heg komt de buurman aanlopen. “Dat scheelde niet veel” zegt hij. “Dat kun je wel zeggen, ja”, bevestigt de man.
Ze kijken met zijn tweeën naar de lucht. In de verte wordt het kanonvuur luider. “Het lijkt wel of het dichterbij komt”, zegt de buurman. “Ik denk dat de wind gedraaid is. Dan hoor je het altijd beter”, antwoordt de man. “Hoe lang vechten ze nu al?”, vraagt de buurman. “Ik weet van mijn opa dat ze voor de tweede openbaring al aan het vechten waren en dat is zo’n negentig jaar geleden” zegt de man. “Maar kom, ik ga er weer eens vandoor. Ik moet nog een flinke afstand afleggen vannacht” “Je weet waar je het voor doet”, roept de buurman hem achterna. “Volgende week is het jullie beurt”, antwoordt de man. Hij haalt zijn volautomatische machinegeweer tevoorschijn en mikt op een snel naderende scooter. Hij geeft een salvo af en de scooter ontploft in volle vaart. De bereider wordt afgeworpen en belandt op een paar meter afstand van de man. “Nou, dat begint al lekker. Een duvelstoejager op het dievenpad. Toe maar jongens” Hij schiet nog een salvo in het stervende lichaam van de duvelstoejager. “Zo, die zegt niks meer”
Hij kijkt achterom en ziet de puinhopen van die eens zo gezellige en gemoedelijke Vinex-wijk. De buurman is inmiddels weer verdwenen. Hij woont met zijn gezin tussen de puinhopen van het slagveld, net als de meeste mensen op deze planeet. Zij hebben er genoeg voor betaald.
De man versnelt zijn pas. Hij wil over vijf uur aankomen bij de uitgang. Nog een weekend en dan is zijn vakantie weer voorbij. Op de kapot geschoten snelweg moet hij om de uitgebrande autowrakken heen manoeuvreren. Hij loopt richting het front, dat zo’n vijftien kilometer verder ligt. Boven het kanongebulder is ook het gegil van de stalinorgels te horen. Een snel aanzwellend gieren waarschuwt de man die in een reflex dekking zoekt. Achter hem ontploffen een aantal zware granaten. Hij hoort het sissende fluiten van de granaatscherven. Hij moet nog acht kilometer lopen voor hij bij de ingang is. Het zal niet makkelijk worden. De duvelstoejagers hebben net deze nacht uitgekozen voor een offensief. In de verte ziet hij parachutisten neerkomen. De gebouwen langs de kapotgeschoten snelweg staan in brand. Al tientallen jaren. De man hoort een langzaam aanzwellend laag grommend gebrul en ziet een aantal ouderwetse motorfietsen op zich af komen. Hij blijft in dekking. Het zijn ongeveer twintig duvelstoejagers. De aanblik van de wanstaltige lichamen die het resultaat lijken te zijn van een kruising tussen mensen, varkens en wolven, boezemt hem angst in. Alhoewel hij moet toegeven dat hij ook iets van een aangename opwinding voelt. Eén duvelstoejager kijkt in de richting van zijn schuilplaats. De man ziet een gruwelijk hoofd met een afzichtelijke varkenssnuit, lange slagtanden en roodgloeiende kleine ogen. Op de kop van het beest staat een Duitse helm. Het draagt een mouwloos lederen vest dat is behangen met gedroogde mensenhoofden. Over zijn schouder hangt een machinegeweer. Het onderlijf van het beestmens is onbedekt en torst een grotesk en abnormaal groot geslachtsdeel. De troep motormonsters is binnen een paar seconden voorbij. De man blijft nog even liggen en kijkt naar de absoluut zwarte hemel, waarin een abnormaal grote pokdalige maan hangt die een ziekelijk grijsachtig licht verspreidt. Hij gaat verder.
Na een uur begint hij de plek van zijn bestemming te ontwaren. Een matzwarte kubus met ribben van 15 meter. Een veilige haven door God zelf gebouwd. Op de bovenkant van de kubus zit een transitiemeester. Zijn enorme witte vleugels houdt hij uitgestrekt alsof hij ze wil laten drogen in het kwaadaardige maanlicht. Op een sierlijke slanke nek bevindt zich een hoofd met edele trekken. Het naakte lijf is parelwit en volledig geslachtsloos. Het wezen deelt de code mede aan de man. De man loopt door de wand van de kubus en komt in een enorme ruimte, een immense zaal waarvan het plafond zo hoog is dat deze zich bijna aan het zicht onttrekt. De tegenoverliggende wand is zo ver verwijderd dat hij niet meer te zien is. Het is druk in de zaal. Allemaal reizigers.
De man visualiseert zijn slaapkamer en fluistert de code. Het volgende ogenblik zit hij aan zijn bureau. Onder aan de trap roept een vrouwenstem. “De thee staat klaar. Kom je beneden”.
Hij loopt de trap af de huiskamer in. Zijn vrouw heeft voor de gezelligheid een paar kaarsen aangestoken. “Zullen we straks naar “The Voice” kijken”, vraagt zij. “Ja, leuk”, antwoordt hij, “ik ben benieuwd of Niels het haalt”.
“Hebben de kinderen nog gebeld?”.

Advertenties

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

2 Reacties op “Altijd oorlog.

  1. Burro

    Originele invalshoek.

  2. Met verwondering gelezen.
    Vriendelijke groet,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s