Het oude kerkhof en de twee torens.


Meubels die ik zelf gemaakt heb met antiek gereedschap.

 

 

Onbestemde, ook niet-menselijke, klanken klinken over het uitgestorven kerkhof. Slechts een eenzaam vogeltje doet zijn evolutionaire plicht in de vorm van het rapen van kleine takjes en papiertjes teneinde daarmee een gezellig nestje te maken in de oude beukenboom wiens kruin zich dreigend verheft boven de verweerde en verwaarloosde schots en scheef staande grafstenen. De laatste keer dat hier een mens kwam is ongeveer dertig jaar geleden. Aan het begin van het kerkhof bevinden zich de danig uit het lood hangende gietijzeren hekken die ondanks hun gewicht toch lichtjes bewegen in een vlagerige wind. De schaduwen van menselijke herinneringen doen de esoterische membranen, die de mogelijke universa van elkaar “scheiden”, rimpelen. Voor de poort van het kerkhof ligt een klein overwoekerd veldje. Erachter staan half ingestorte huizen (twee onder een kap). Een hoekhuis is door vuur, zo’n twintig jaar geleden, verwoest. Aan het einde van de straat kronkelt een groen-pulserende intelligente entiteit over een kruispunt van energielijnen die evenzovele transuniversele tijdpoorten vertegenwoordigen. Door deze ectoplastische entiteit worden alle mogelijke universums uit een “no-boundary condition” geschapen.

De bij dit universum behorende in stoffelijke vorm gegoten entiteit, die zichzelf “mens” noemt, is dertig jaar geleden teruggenomen. Hij voldeed niet langer aan de wensen van zijn schepper. Hij vertoonde geen significante tekenen van esoterische vooruitgang, terwijl het zijn schepper daar uiteindelijk toch om te doen was. Een heel universum voor èèn mentaal experiment was misschien ook wel een beetje te veel van het goede.

De minieme flinter bewustzijn die eens, dertig jaar geleden mijn persona constitueerde, mijn “Gestalt”, aarzelde bij de poort van het verwaarloosde kerkhof. Ik probeerde terug te vloeien en me te verenigen met de andere esoterische delen die eens een samenhangend materieel geheel vormden. Op de dag van het grote “Terugnemen”, het moment waarop de materiële samenhang ongedaan werd gemaakt en de tijd verdween, waren wij familie, waren wij kennissen en bekenden. Mijn “Gestalt” kan de werkelijkheid niet goed doorschouwen, hij aarzelt en vloeit terug in wat vroeger door de materiële mens “tijd” werd genoemd. Ik bespeur de hechtheid waarmede mijn Gestalt een onlosmakelijk deel van de kosmische psyche vormt en de drang om mijn stoffelijke werkelijkheid weer te ervaren lost telkens weer onontkoombaar op in het eeuwige immateriële “zijn”. De mogelijkheid om naar de tijd te ontsnappen is alleen gegeven aan onze schepper. Hij is overal en alles. Hij kan ook alles omdat hij overal en alles is. Die weg zal ik dus moeten bewandelen. Aan het einde van dat ectoplastische pad, in een iriserende werkelijkheid, word ik de aanwezigheid van Iets Groters gewaar. De oneindige pijn en het lijden van het materiële, het tastbare leven wordt voor de zoveelste keer aan mij geopenbaard. Ik ben terug in de werkelijkheid van de lineair verlopende tijd en heb een stoffelijke vorm. Ik bevind mij op een vlakte waar gebouwd wordt. Men bouwt twee torens. Men is na-ijverig en men zwoegt en zweet om de eerste te zijn die de grens van twee kilometer doorbreekt. De torens zijn strak en tijdloos bijna. Zij steken tot grote hoogte in de lucht en worden nog hoger gemaakt door wezens in geluidloos zwevende platforms. Het kost steeds meer moeite naar mate men hoger reikt. Aan de hemel hangen drie grote manen. Een bloedrood. Een ander donkerblauw. En de derde felwit. Het licht op de vlakte is een mengeling van deze kleuren. Eonen gaan voorbij. De torens zijn van onvergankelijk materiaal gemaakt. Men blijft maar bouwen, maar kan desondanks de grens van twee kilometer niet doorbreken. Dan, als de tijd afloopt, worden de torens door een machtig esoterisch vuur verzwolgen en vervaagt de wereld waarop zij stonden tot de mogelijkheid die deze altijd was.

Gedempt door de zware gordijnen dringt het vroege daglicht mijn slaapkamer binnen. Op de radio hoor ik meneer Rumsfeldt zeggen dat de bureaucratie van het Pentagon te veel geld kost. Een snel verdwijnende herinnering aan een droom over een kerkhof en hoge torens maakt plaats voor de realiteit van een nieuwe werkdag. Ik neem een douche, kleed me snel aan en nuttig een klein ontbijt. Om kwart voor negen heb ik namelijk als juridisch adviseur van Keenan Powers & Andrews een belangrijke afspraak in ons hoofdkantoor met de zaakwaarnemer van een of andere rijke sjeik uit Saoedi-Arabië. Ik moet opschieten.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een Reactie op “Het oude kerkhof en de twee torens.

  1. Filip

    Deus de dief….
    Alles is hopeloos als zelfs de schepper het adagium huldigt van het recht van de sterkste.
    Gegeven is immers gegeven en terugnemen is stelen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s