De laatste wereld.

EmissionNebula NGC6357 Verhaal. 2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Duizenden kilometers lang. Een rechte weg door graanvelden en akkerland. Geen bochten. Werkelijk geen enkele bocht. Onder een kleine gouden zon. Een rechte weg. Duizenden kilometers lang. En om de tweehonderd kilometer een oogststation. Met wondermachines. Oogstmachines. Grote rode monsters. Geen mensen. Ik ben al langer dan een jaar onder weg. Reeds achtduizend kilometer te voet afgelegd. Het is belangrijk dat de reis wordt gemaakt. Op weg naar de kust. Naar het grote water. Nog duizenden kilometers te gaan. Op de einder, voor mij, wordt de hemel bedekt door de halve boog van een andere zon. Een rode dwerg die vlakbij staat, nauwelijks warmte afgeeft en het gouden licht van de kleine zon met zijn rode schijnsel mengt tot de prachtigste amber-achtige kleurschakeringen. De horizon staat vele honderden kilometers ver weg. Deze planeet is groot. Enorm groot. Vier keer het volume van de Aarde met een massa die net iets minder is dan de massa van de Aarde.
De tijd is oud. Heel erg oud. En loopt ten einde. De boodschap moet verteld worden aan de inwoners van de stad. Het is mijn taak om dat te doen. Maar het wormgat, de poort tot deze wereld, bevindt zich bijna aan de andere kant van deze planeet. Ik moet dus vele tienduizenden kilometers afleggen om bij mijn doel te komen. Dit is de oogstplaneet. De Levenschenker.
De stad ligt op een eiland midden in het grote water. Een zee van tienduizenden kilometers groot. Ik ben op weg naar die zee. Om het slechte en het goede uit te leggen. Om de bewoners voor te bereiden op het einde. De versnelling, de kosmische dynamiek gaat nu zo snel dat het universum elk moment kan overgaan in een singulariteit.

Ik houd mijn pas in want de onderhoudsunit heeft zich vlak voor mij gematerialiseerd en hangt als een groot gouden ei ongeveer drie meter boven de stoffige weg. Er ontstaat een opening in de wand door de toepassing van biologische diafragma-technieken en er vormt zich op vloeiende wijze een uitstulping onder de cirkelvormige opening. Een vormeloze bult die langzaam tot een trap transformeert. Hetzelfde gebeuren elke dag al meer dan een jaar lang. Ik ga naar binnen. Eet het voedsel dat voor mij klaar staat. Ik heb nog even contact met de centrale en hoor dat de werkelijkheid steeds onwaarschijnlijker wordt. Dat het steeds moeilijker wordt om greep te houden op de versnellende kosmische processen. De tijd dringt, wordt mij te verstaan gegeven. De pelgrimstocht moet volbracht worden. De waarheid moet vastgesteld worden. En ik ben degene die het allemaal moet volvoeren. Ik leg mij te ruste op de boven de vloer zwevende bank, die zich naar mijn lichaam voegt en mee vervormt met al mijn bewegingen. De slaap komt als een zegen. Mijn dromen vormen de brandstof die ik nodig heb om mijn taak te volbrengen. Zij brengen mij dichtbij het Kwade en het Goede. Alsof ik het aan kan raken. De urgentie ijlt na als ik wakker wordt. Ik verfris mezelf, neem van het gereedstaande voedsel en verlaat via de trap de onderhoudsunit. Zodra ik weer op de weg sta lost de unit op. Ik wil mijn tocht hervatten, als mijn oog getroffen wordt door een transporter die schuin voor mij naast de weg zweeft. Ik begrijp dat de urgentie gebied dat ik gebruik ga maken van deze gravitatieneutralisator. Op gesproken woord neemt de transporter de vorm van een archaïsch vervoermiddel aan. Een wagen met wielen, veel koper, gietijzeren onderdelen en een stuur. Het voertuig blijft ongeveer tien centimeter boven de grond zweven. Ik denk vooruit en we gaan op weg. Met een matige snelheid van 50 kilometer per uur. Harder kan niet. En geluidloos. Slechts het ruisen van de wind verstoort de stilte. Vijftig kilometer per uur. De magiematrix laat niet anders toe.

Ik leg maximaal 500 kilometer per dag af. Mijn voertuig is comfortabel. Het heeft naast een ruim dek een overdekte ruimte met zit-slaapplaats en sanitaire voorzieningen. Vlak voor ik de kust zal bereiken verandert de atmosfeer. Het wordt vochtiger. Een andere reuk. De verten worden heiig. De verre horizon verdwijnt in nevelen. Na ongeveer dertig dagen reizen kom ik aan bij het kuststation en zie ik het grote water voor mij.
Het kust-overslagstation beslaat ongeveer 450 vierkante kilometer. Tot meer dan een kilometer hoge gebouwen, verlaten metalen wegen. Vreemde machines en bij de aanlegplaatsen de vreemdsoortigste vaartuigen. Alles precies zoals het was toen het zo’n honderdvijftigduizend jaar geleden door de mens werd verlaten. Verlaten in verband met overbodigheid. Klaar voor gebruik. Geen stof, geen vuil. Steriel. Onverbiddelijk en angstaanjagend. Ik loop door de eindeloze straten. Mijn geluiden klinken eenzaam op tegen de massieve staketsels. Twaalf duizend jaar aan levenservaring kunnen mij niet behoeden voor de kille en melancholieke huiver die deze ultieme, in de tijd gestolde, nutteloosheid mij bezorgt.
Mijn verblijf duurt niet langer dan vier aardedagen. Het contact met Centrale leert mij dat er niet veel tijd overschiet. Ik moet me haasten. De inwoners van de laatste stad moeten gewaarschuwd worden.
Mijn voertuig bevindt zich in de haven en hangt ongeveer twee meter boven het volledig transparante water van de binnenoceaan. Het dematerialiseren van het kuststation heb ik volgens de afspraken met Centrale minutieus voorbereid in die vier dagen. De blauwdruk voor het te maken overgangstoestel wordt vervolgens in nog geen aarde-uur gematerialiseerd via een zeer complexe nanotechniek. De “intelligente” moleculen zoeken op aanwijzing van de Centrale hun nieuwe plaats en vormen zo de tijdtransitie-unit. Ikzelf geef het sein en de unit verheft zich met behulp van zijn gravitatieneutralisatoren om zich naar een vooraf bepaalde stationaire positie te begeven in de ruimte boven de planeet.
Ik beman het voertuig en zet koers naar de laatste stad. De reis duurt vijfentwintig saaie dagen voordat ik in het westen een streepje van een schaduw waarneem boven de verre horizon. Het oceaanwater is kristalhelder en staat mij toe wel driehonderd meter diep te kunnen kijken. Er is geen leven. Het water is dood. Het streepje schaduw blijkt de bovenkant te zijn van een machtig rotseiland dat naar mate ik dichterbij kom steeds verder uitrijst boven de strakke lijn van de einder. Na nog eens driedagen torent het rotsmassief zeker twaalf kilometer voor mij op uit de diepten van de oceaan. Het eiland is zwart en steekt loodrecht uit het water omhoog. Het lijkt kunstmatig. De omtrek van het eiland is vijftienhonderd en zeventig kilometer. Het vertegenwoordigt met zijn hoogte van twaalf kilometer een enorm volume. Als ik dichterbij kom constateer ik aan de zwarte glad gepolijste en onder een hoek van exact negentig graden uit het oceaanwater oprijzende wand dat hier sprake moet zijn van iets artificieels. Wellicht door mensenhand tot stand gebracht. Met behulp van oude technieken. De materie maakt geen contact met mijn nano-activator. Wel ontdek ik honderdtien kilometer naar het noorden een opening in de gladde zwarte wand. Ik zet koers naar het noorden en bij de opening aangekomen constateer ik dat er sprake is van een gat in de vorm van een halve boog met een diameter van vijftienhonderdmeter. De opening is angstaanjagend. In feite is het een cirkel maar precies de helft ligt onder de zeespiegel. Langzaam dichterbij komend zie ik in de halfschaduw dat de opening zich als een tunnelbuis naar binnen toe uitstrekt tot in de verre verte. Helemaal aan het nog net zichtbare einde van de tunnel zie ik een zweem van licht. Een illusie van een eindpunt. Huiverend stop ik mijn voertuig en bezie of ik een plan kan bedenken. Hoe ik naar de oppervlakte van het eiland kan reizen en of ik wel binnen de bandbreedte van de magiematrix zal blijven bij een opwaartse beweging van twaalf kilometer.
Ik zweef de opening van de tunnel binnen en ga weer stilliggen. Overleg met Centrale levert op dat nu gerust gaat worden en dat over tien uur de reis naar het binnenste van dit reusachtige bouwwerk zal aanvangen.
Na de rustpauze maak ik me op om verder de tunnel in te zweven. Het water in de tunnel is van dezelfde kristalheldere kwaliteit als het water van de oceaan. Er heerst stilte. Een oorverdovende stilte. Ik reis naar het vermoeden van licht aan het einde van de tunnel. Dit vermoeden verandert alras in zekerheid. Aan het einde van de tunnel is licht. Lichtgroen licht. Ik moet nog ongeveer dertig kilometer gaan. De tocht verloopt zonder bijzonderheden. Naast en boven mij het ondoordringbare zwart van het “gepolijste” niet nader te classificeren materiaal, waar het hele eiland van gemaakt schijnt te zijn. De lichtgroene gloed wordt steeds duidelijker. Ik kan nu, met nog zo’n vijftien kilometer te gaan, zien dat de tunnel op een verlichte ruimte uitkomt. De lichtgroene gloed die de reusachtige tunnel steeds meer begint op te lichten heeft een merkwaardig rustgevende invloed op mijn aanvankelijk gespannen gemoedstoestand. Als ik de tunnelmond verlaat zie ik een uitgestrekte rimpelloze watervlakte voor mij. Het zwarte matriaal vormt hier kennelijk een holte van gigantische afmetingen. De tunnelopening die mij als het ware uitspuwde is achter mij te zien als een enorme lichtgrijze halve maan . Ik ga stil liggen en zweef nu ongeveer drie meter boven het water. Na raadpleging van Centrale wordt mij duidelijk dat ik in een volkomen bolvormige ruimte ben aangekomen. Een bolvormige ruimte met een diameter van honderdtwintig kilometer die exact voor de helft met water is gevuld. Ik zweef dus boven een, door een enorme koepel overdekte, binnenzee. Na 35 kilometer zou er rechts weer een opening zijn volgens Centrale. Ik ga op weg en blijf een paar kilometer van die enorme omhoog rijzende gitzwarte wand af. Ook hier is zicht mogelijk door die allereigenaardigste lichtgroene gloed. Er is geen specifieke lichtbron te duiden. Mijn voertuig blijft exact drie meter boven het kristalheldere, volledig transparante water zweven.

Nb. Dit is een voorlopig concept van een ijzingwekkend verhaal over het einde van ons universum. Er volgt natuurlijk nog veel meer. Volgend jaar of zo.

Advertenties

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

2 Reacties op “De laatste wereld.

  1. Het jaar is om en ik heb over het verhaal nagedacht. Ik weet wat het gaat worden. Het wordt de absolute apocalyps. Het absolute einde van ons heelal. Maar eerst moet de strijd tussen Goed en Kwaad nog beslist worden. Plaats van handeling: De Laatste stad. De stad waar mensen kunnen morfen tussen stoffelijk en onstoffelijk. Desondanks gaat het Kwaad toeslaan. Blijf dit blog volgen en doe er uw voordeel mee!!

  2. Filip

    Morfen naar onstoffelijkheid, hoe aanlokkelijk…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s