Karl Marx. Een beknopte beschrijving van zijn leven en een korte uiteenzetting van zijn filosofie.

Karl Marx

Karl Marx

Voorwoord

Gedurende mijn studiejaren in Utrecht, midden jaren zestig, was het gedachtegoed van Karl Marx en Vladimir Iljitsj Ulyanov vaak het onderwerp van verhitte politieke discussies. Ik kan me herinneren dat ik, na te hebben kennisgenomen van de economische theorieën van Marx, niets anders kon doen dan de meeste zijner beweringen en stellingen afdoen als monomane onzin en onlogische irrationele flauwekul. Dat werd me toen niet in dank afgenomen. Ik neigde meer naar de werkelijke vrijheid van het niet dogmatische anarchisme. Daarom legde ik het werk van Marx terzijde, maar bleef uiteraard, als rechtgeaarde adolescent, wel zoeken naar de basis onder het leven. Reden waarom ik mij enthousiast stortte op de ‘openbaringen’ van de theoretische fysica. Een liefde die ik tot op de dag van vandaag koester.

Bij mijn niet aflatende zoektocht naar zingeving werd ik vooral geobsedeerd door het vraagstuk van de ethiek, van de moraal. Solide kennis van de filosofie had ik toen nog niet, dus ik kon niet anders dan, dat wat mij zo intens interesseerde, op een vrij gebrekkige en soms zelfs inadequate manier formuleren. Desondanks was ik, naar ik nu kan beoordelen, in mijn schuchtere pogingen wel duidelijk. Ik vroeg mij namelijk af waar ik mijn leven, mijn denken, mijn handelen op zou moeten grondvesten, wilde er in mijn ogen sprake zijn van een zinvol leven. Wat zou voor mij het leitmotiv moeten zijn?

Op een niet te achterhalen wijze kwam ik toen ook in aanraking met het werk van Ayn Rand in de vorm van haar romans. Ik las ze in het Engels, wat toen voor mij nog een hele toer was, de dikte van de boeken in aanmerking genomen. Tevens verdiepte ik mij in de “filosofie” van Ayn Rand, het zogenaamde “Objectivisme”. Na grondige lezing van genoemde schrijfsels en opvattingen raakte ik vervuld van een intense walging. Ayn Rand vindt hebzucht goed en altruïsme slecht. Zij schrijft over sterke, mooie en krachtige mensen die zich op een megalomane manier ontworstelen aan een decadente samenleving van parasitaire zwakkelingen, meelopers, angsthazen en zielenpoten. Naastenliefde, empathie, erbarmen en genade komen in de vocabulaire van Ayn Rand niet voor. Mij stond toen al voor ogen dat een samenleving waarbinnen deze, in mijn ogen uiterst positieve begrippen, als kwaadaardige obstakels voor een gezonde en efficiënte gemeenschap werden gezien, een hel op aarde moest zijn.

Nee, dan vond ik die rare Marx met zijn dialectisch materialisme, zijn klassenstrijd en wat niet al, toch nog veel beter te verteren dan het keiharde, volstrekt liefdeloze en bijna onmenselijke “objectivisme” van mevrouw Rand. Dit dus ondanks de rabiate onzin die ook Marx te pas en te onpas uitkraamde. Om dat ik in die jaren vanwege mijn vriendin veel te maken had met het gereformeerde gedachtegoed werd ik bijna dagelijks geconfronteerd met begrippen als ‘liefde’, ‘Genade’, ‘vergeving van schulden’, maar ook met omineuze termen als ‘zondaars’, ‘erfschuld’, ‘verleiding’ en alle andere ellende die men zich dienaangaande kan voorstellen. Desalniettemin kende en benadrukte het Christelijk geloof de positieve noties van naastenliefde en erbarmen en ik constateerde dat sommige gelovigen echt wel probeerden om de inhoud van deze begrippen, hoe gebrekkig soms ook, te incorporeren in hun leven van alle dag. De ethiek van het Christendom sprak mij wel aan.

Maar tevens zag ik daarnaast ook dat verreweg het grootste deel van het maatschappelijk leven werd beheerst door de sociaal destructieve krachten van het kapitalisme dat als adagium hanteerde “Ieder voor zich en God voor ons allen”. Het akelige onsympathieke gedachtegoed van Ayn Rand zag ik in de aangepaste vorm van een mild kapitalisme overal om me heen en ondanks het feit dat hier in Nederland de scherpste randjes er wel vanaf waren werd ik er beslist niet vrolijker van. De samenleving raakte op het toen (jaren zestig) nog beperkte maar wel uiterst vitale terrein van de economie steeds meer vervuld van de jacht naar geld, bezit, macht en van het zielloze, soms zelfs regelrecht ziekelijke streven, naar een hogere sociale status. Deze dynamiek werd vanaf de jaren tachtig bijna exponentieel versterkt door de aanzwellende verleiding van het steeds meer aan kracht winnende, maar sociaal gezien o zo destructieve neoliberalisme. De samenleving raakte ontzuild en werd bevangen door een postmodern immoreel en onethisch hedonisme dat kennelijk op basis van een conditio sine qua non moet samenhangen met de voortschrijdende neoliberale economisering en depolitisering van steeds grotere delen van de bevolking. Inmiddels (2015) is de samenleving in feite totaal geëconomiseerd en commercieel gedigitaliseerd door het toedoen van geraffineerde marketing deskundigen, doortrapte, psychologiserende HR-functionarissen en carrière-jagende meten-is-weten managers. Het volk wordt gepacificeerd en gedrogeerd met “brood en spelen” in de vorm van sociale media en exuberante luxe. Ik verwijs hier nadrukkelijk naar het boek van meneer Hans Schnitzler “Het digitale proletariaat”; u moet blz.135 t/m 145 maar eens lezen. De schrik slaat je om het hart.

In de huidige tijd zie ik helaas een steeds grotere toename van egoïstische onverschilligheid, nihilistisch en destructief hedonisme, verveelde geborneerdheid, ernstige consumptieverslaving, sarcasme, cynisme en ergerlijke vormen van gemaniëreerdheid. Dit alles dus, in mijn ogen, als een uitvloeisel van een a-vitaal, louter ik-gericht en regressief conservatief kapitalisme, gestoken in een verleidelijk mooi glimmend jasje, maar met alle vervreemdende en materialistische levensstijlen van dien.

Inmiddels ziet het weldenkende deel van de wereldbevolking, dat gelukkig door beter onderwijs steeds groter wordt, wel in dat het vigerende, destructieve, economische systeem ons rechtstreeks naar steeds grotere problemen voert en dat de urgentie om andere, veel duurzamere en rechtvaardiger economische systemen te implementeren, enorm groot is en steeds groter wordt. U heeft wellicht bemerkt dat ik, ter wille van de goede zaak, de dynamiek die onze samenleving tegenwoordig bezield, misschien een beetje te zwart en negatief afschilder, maar ik doe dit louter en alleen om de dringende urgentie tot noodzakelijke verandering nóg groter te doen lijken. Nogmaals, alles voor de goede zaak!!

Echter, door dit alles ben ik me weer eens gaan verdiepen in Karl Marx en zijn kameraden, om te bezien of hij met betrekking tot boven beschreven negatieve dynamiek, naast een heleboel onzin, ook nog iet verstandigs heeft te zeggen, iets dat ons nu mogelijk behulpzaam zou kunnen zijn op onze weg naar een betere, wijzere en meer liefdevolle wereld.

Het leven van Karl Marx

Karl Marx werd op 5 mei 1818 in Trier geboren als zoon van de advocaat Hirschl Marx (later Heinrich) en de Nederlandse Henriette Presburg, geboren en getogen te Nijmegen. Op 17 jarige leeftijd ging Marx in Bonn studeren. Hij koos daar voor de wetenschap van de rechtsgeleerdheid. Destijds was Trier een cosmopolitische gemeenschap, maar wel ernstig economisch gedepriveerd met veel werkeloosheid en armoede. De socialistische ideeën van Saint Simon (Hij beschouwde de menselijke rede als de bron van alle wijsheid. Loon was niet te verstrekken naar werken maar naar behoefte. Alle voorrechten dienden te worden afgeschaft. Industriëlen moesten de samenleving regeren, niet politici of filosofen. Door de grote macht die hij aan de bewerkers van de industriële revolutie wilde geven, was hij een voorganger van het staatssocialisme ) en van Charles Fourier ( Fourier ontwierp een samenleving bestaande uit lokale gemeenschappen, waarbij iedere gemeenschap tussen de 1600 en 1800 bewoners zou hebben. Een gemeenschap vormde een coöperatie die zowel landbouwproducten als industriële producten zou produceren. De gehele gemeenschap zou in één groot gebouw wonen en werken. De gemeenschap had de naam phalange en de gebouwen werden Phalanstères genoemd. Deze namen zijn afgeleidt van het Griekse woord phalanx. De geproduceerde goederen of de winst van een phalange zou verdeeld worden onder de bewoners en de investeerders. De winstdeling zou gebaseerd zijn op het geïnvesteerde kapitaal, geleverde arbeid en het talent van de betreffende persoon. Leden die veel geld hebben ingebracht hoefden niet te werken. Iedereen moest huur betalen voor hun appartement en de huren voor luxer appartementen waren hoger. Fourier ontwierp ook een afgezwakte versie van de phalange dat als tussenstap zou fungeren. Deze tussenstap noemde hij guaranteéisme (in het Nederlands ook wel waarborgingsstaat genoemd) die door rijke ondernemers gestart moesten worden. (Alle phalanges zouden onderdeel zijn van een wereldfederatie. De leider van een phalange zou democratisch gekozen worden. Deze leiders werden baronnen of unarchen genoemd en die zouden het overkoepelende bestuur van vier phalanges kiezen, de zogenaamde deuxarchen of burgergraven. Nog negen ander getrapte verkiezingen zouden worden gehouden. De wereld zou worden geregeerd door een gouverneur met de titel Omniarch die in de wereldhoofdstad Constantinopel zou zetelen.))

sloegen in het economisch gedepriveerde gebied rondom Trier enorm aan. De ouders van Karl Marx waren joods. Zij waren ‘seculiere’ joden, niet belijdend, zeker niet conservatief en niet dogmatisch. Zij onderschreven de beginselen van de Verlichting. De vader van Marx werd Luthers om zijn carrière in het anti-Joodse , zeer conservatieve Pruisische Rijk van na 1815 veilig te stellen. Karl Marx groeide op in een zekere welstand. Van studeren kwam in Bonn niet veel terecht. Dus ging Marx in Berlijn studeren. Ondertussen verloofde hij zich met het buurmeisje Jenny von Westphalen, telg uit een oud adelijk ambtenarengeslacht. Haar vader was hem in die tijd geregeld tot intellectuele steun.

In Berlijn nam de belangstelling van Karl Marx voor de wat intellectuelere zaken snel toe. Hij las het werk van Fichte en van Immanuel Kant. Daarnaast kwam hij volledig in de ban van de filosofie van Georg Hegel. In die tijd was het Hegelianisme de prevalerende filosofische richting in Berlijn. Wat dat betreft waren er twee hoofdstromingen te onderscheiden: – De conservatieve stroming van Hegel zelf met zijn wat mistige Weltgeist, zijn idiote nationalisme en wat niet al. Deze vrij reactionaire stroming was begrijpelijkerwijze de staatsfilosofie. – De revolutionaire, radicaal democratische stroming van de Jong – Hegelianen met Bruno Bauer en consorten. Deze stroming had fundamentele kritiek op religie. Marx verkeerde in de kringen van de Jong – Hegelianen. Door zijn radicalisme kon hij niet in Berlijn promoveren maar moest dit in Jena gebeuren. Zijn proefschrift ging over “Het verschil tussen de natuurfilosofie van Democritos en Epicurus”

Na het beëindigen van zijn studie ging Marx weer naar Bonn, Vanwege zijn radicalisme kon hij, begrijpelijkerwijs, nergens universitair docent worden. Daarom werd hij journalist.

1842 – 1843: – In Keulen werd hij redacteur van de radicaal democratische krant, de “Rheinische Zeitung” . In oktober 1842 werd hij hoofdredacteur. De krant werd steeds radicaler en de censuur werd steeds strenger. In 1843 werd de krant door de Pruisische overheid verboden. Het moest niet te gek worden, vond men. Op 18 juni 1843 huwt Karl Marx met Jenny von Westphalen in Kreuznach, alwaar hij enkele gelukkige maanden blijft wonen. In die tijd maakt Marx ook kennis met de filosofie van meneer Ludwig Feuerbach (“Het wezen van het Christendom”) (Ludwig Feuerbach was een filosoof die zichzelf tot doel had gesteld de mens weer terug op aarde te brengen. Hij is ook de grondlegger van het moderne geseculariseerde denken. Op het gebied van godsdienstfilosofie kwam hij met twee opvattingen:

  1. God is een projectie van de mens
  2. Er is een alomvattend beginsel. Hij stelt hierbij het streven naar geluk centraal.

Feuerbach zag religie als slechts een bevrediging van een verlangen van de mens. Hij beschouwde religie als een compensatie voor beperktheid en eindigheid, en godsdienst is volgens Feuerbach niets meer dan een illusie. Hij pleit voor een beschaving niét gebaseerd op religie maar op natuurwetenschap.)

1843 – 1844 : – De periode van de “Deutsch – Fransösische Jahrbücher”. Marx verhuisde naar Parijs en werd daar redacteur van bovengenoemde “Jahrbücher” Er kwam slechts een dubbelnummer van de persen. Met artikelen van een aantal radicale democraten, waaronder natuurlijk Marx zelf. Hij publiceerde : – “Kritiek op Hegels rechtsfilosofie. Inleiding”. En : – “Het vraagstuk der joden”. In deze periode krijgt de samenwerking met Friedrich Engels vastere vormen. Karl Marx wordt op verzoek van Pruisen door Frankrijk uitgewezen en hij gaat begin 1845 in Brussel wonen. Hij doet afstand van zijn Pruisisch staatsburgerschap.

1845 – 1847 : Brussel. “Het Communistisch Manifest”. Het gist en broeit in Europa. Men is de repressie van de restauratieve regimes meer dan zat. Radicalen en revolutionairen slijpen hun messen en maken zich op voor de strijd. Het oproer kraait!!! In deze periode schrijft Marx samen met Engels vele werken waaronder: “De Heilige Familie” (Fundamentele kritiek op Bruno Bauer en zijn Jong – Hegelianen. Spottend en sarcastisch van toon en voor 90% het werk van Marx zelf), “De Duitse Ideologie” met daarin opgenomen de beroemde “Stellingen over Feuerbach”. In 1847 verschijnt “De armoede van de filosofie” (een variatie op “La Philosophie de la Misere” van Pierre – Joseph Proudhon, autodidact en anarchist. Bedenker van de slogan: “La propriété c’est la vol”), dit geschrift bevat ideeën van Marx over de economie t.w. de waardetheorie, arbeidsverdeling, het concurrentieprincipe, de grondrente etc. In deze tijd worden Marx en Engels lid van de “Bond der Rechtvaardigen”, later de “Bond der Communisten”. En……op 21-2-1848 (het grote revolutiejaar) verschijnt het beroemde en vooral beruchte “Communistisch Manifest”. Een pamflet met opruiende taal. Strijdbaar. Klaar voor totaal nieuwe tijden. “Proletariërs aller landen verenigt u” Het begint met de bekende zin: “Een spook waart door Europa – het spook van het communisme…………!!!!!!”

1848 dus. Het revolutiejaar. Volksopstanden in Frankrijk, Italie en Oostenrijk. En……….een heel klein beetje onrust in Nederland met zijn toenmalige jansaliegeest ( u kent hem wel, die trage Jan Salie beschreven door Potgieter in “Jan, Jannetje en hun jongste kind”). De stijle liberaal Thorbecke komt met zijn grondwet en provoceert daarmee min of meer een heel klein beetje onze autocratisch ingestelde koning. Deze held van Waterlo, onze eigen koning Willem II vertelde aan eenieder die het maar horen wilde dat hij in één nacht was getransformeerd van conservatief tot liberaal. Zijn psychopathische opvolger Willem III (de gorilla-koning) dacht er heel anders over!! Begin 1848 gaat Marx terug naar Parijs, waar het in dat jaar allemaal gebeurde! Maar in april 1848 is hij al weer terug in het Rheinland om er de “Neue Rheinische Zeitung” op te richten. Het is, zoals zich laat raden, een extreem radicaal blad en wordt dan ook in 1848 verboden. Het laatste nummer verschijnt in mei 1848 in het vlammend rood. De opstanden zijn mislukt. En Marx verdwijnt naar Londen alwaar hij de rest van zijn leven zal wonen.

1850 en daarna: Marx zit dus min of meer als banneling in Londen. Hij wijdt zich voortaan volledig aan de studie. Vooral gaat hij aan de gang met zijn studies over de economie. De basis wordt gelegd voor zijn magnum opus “Das Kapital”. Marx en zijn gezin worden door extreme armoede en ziekte geteisterd. Friedrich Engels sprong het armlastige gezin vaak bij als het helemaal niet meer ging. Vier van de zeven kinderen van Karl Marx en Jenny von Westphalen sterven op jonge leeftijd!! Slechts drie dochters blijven in leven ( Jenny, Laura en Eleanor). Pas eind zestiger jaren van de 19e eeuw gaat het beter als Marx een behoorlijk groot vermogen van zijn moeder erft. Die rare Karl zou ook nog een buitenechtelijk kind, een zoon, hebben gehad van zijn huishoudster. Maar zeker weten doet men dat niet. Voor evenveel geld waren het aantijgingen van het doortrapte grootkapitaal!

In 1850 schrijft Marx ook “De klassenstrijd in Frankrijk”, een historisch materialistische interpretatie van de gebeurtenissen in het revolutiejaar 1848.

Daarna volgen nog vele geschriften van de hand van Karl Marx. Op 28 september 1864 vindt de oprichting van de “Eerste Internationale” plaats. In 1867 verschijnt het eerste deel van “Das Kapital”. De volgende delen zouden niet meer tijdens zijn leven in druk verschijnen. Deze werden na zijn dood door Friedrich Engels gepubliceerd.

Op 14 maart 1883 overlijdt Karl Marx en wordt hij bijgezet in het graf op begraafplaats ‘Highgate’ te Londen. Tot op de dag van vandaag is het een soort bedevaartsoord voor de goedgelovigen.

De filosofie van Marx

Voor de filosofie van Marx is meneer Georg Hegel van groot belang. Maar ook het gedachtegoed van Ludwig Feuerbach speelt in de ontwikkeling van zijn ideeën een cruciale rol. Het revolutionaire uitgangspunt wordt belichaamd door de dialectiek. Marx stelt dat de werkelijkheid niet een complex van kant-en-klare dingen is maar van continue processen. Ontologisch gezien is er dus steeds sprake van een ononderbroken dynamiek van worden en vergaan. Net zoals – kent u hem nog? – die oude sombere griekse wijsgeer Heraclitos die de onsterfelijke woorden sprak: “Panta Rhei” (alles stroomt). De dialectische ontwikkeling van Hegel die zich in de geest afspeelt (Hegel was een idealist) wordt door Karl Marx 180 graden gedraaid. Hij vult het dialectische proces met een zuiver materialistische wereldbeschouwing. Voor Hegel was “Het Idee” het eigenlijke en alleen “bestaande”. Marx stelt daarentegen dat de geest een product is van de materie. Hij schrijft: “Voor Hegel is het denkproces, dat hij onder de naam “Idee” zelfs tot een zelfstandig subject maakt, de demiurg (schepper, voortbrenger) van het werkelijke………….. Bij mij is omgekeerd het ideële niets anders dan het in het menselijk brein vertaalde en gewijzigde materiële”. Wat dit betreft zit Marx dus op een lijn met Feuerbach en de Franse materialisten (La Mettrie) van de 18e eeuw. Hij gaat echter veel verder. Marx brengt namelijk het dialectische proces in stelling. Hij verwijt die oude materialisten namelijk twee dingen te weten dat: – hun materialisme niet dialectisch is, het is statisch ,veel te theoretisch en ontbeert derhalve de noodzakelijke praktische relatie met de dynamiek van de geschiedenis, en dat: – het oude Franse materialisme te abstract is. Het dialectisch materialisme dient juist op het maatschappelijk leven te worden toegepast, maar dan natuurlijk niet theoretisch om het te leren “kennen” of te “interpreteren” maar praktisch om het te veranderen.

Geconcludeerd kan worden dat de filosofie van Karl Marx een sterk in de praktijk geworteld en dynamisch karakter heeft.

Een ander, in mijn ogen heel erg belangrijk begrip van Marx is “De vervreemding”, de zelfvervreemding en de zelfverwerkelijking. Marx stelt dat de mens in het kader van zijn maatschappelijke omgeving dient te worden bezien als een werkend, arbeidend wezen. De mens is “het dier dat zichzelf produceert” In het vigerende arbeidsproces kan de mens zijn ware bestemming niet verwerkelijken. Hij raakt steeds verder vervreemd van het werk zijner handen en de producten die hij daarmede maakt! De ware bestemming van de mens is “Vrijheid”, een toestand waarin mens-zijn en het vrije burger-zijn met elkaar samenvallen. Dan pas is er volgens Marx sprake van de “Ware democratie” Dit streven vormt het leitmotiv voor het hele latere werk van Marx dat zich in drie dialectische stappen ontrolt: – Inzicht in de ware idee van de menselijke gemeenschap. Besef van de voortschrijdende zelfvervreemding van de mens. – Kritiek. Eerst het meten en sonderen van de maatschappelijke werkelijkheid. De resultaten van dit “onderzoek” langs de meetlat van de maatschappelijke idealen leggen en ze bezien in het licht van de ware bestemming van de mens. – Handelen, in die zin dat ideaal en werkelijkheid in een dialectisch proces met elkaar moeten gaan samenvallen. Op weg dus naar de socialistische heilstaat!

Hier raak ik Marx dus helemaal kwijt. Ik bespeur in zijn theorie op dit punt een soort heilsleer, een historisch determinisme, dat volstrekt in tegenspraak is met de wetenschappelijk geconstateerde, weliswaar intrinsiek causaal verlopende, contingentie van het traject dat de mens als evolutionair organisme binnen onze werkelijkheid moet doormaken.

Het Historisch Materialisme.

Wat valt er te zeggen over de toepassing van de beginselen van het historisch materialisme op het totale maatschappelijke leven. De toepassing van het materialisme op het maatschappelijk leven van de mensheid vraagt om een verklaring van het maatschappelijk bewustzijn uit het maatschappelijk “zijn”. Voor het materialisme is de materie, de stof, dus het enige dat werkelijk “is”. Het maatschappelijk bewustzijn (ideeën, theorieën, opvattingen etc.) is louter een spiegelbeeld van deze materiële werkelijkheid. Het is de ideologische bovenbouw van de werkelijkheid. Zoals de materiële levenswijze van de mensen, zo is ook hun denkwijze.

De ideologische bovenbouw wijzigt zich langzaam of snel al naar gelang het tempo van de economische veranderingen. Opvattingen zijn dus altijd een spiegelbeeld van de door de economie vorm gegeven maatschappelijke situatie. De reactionaire ideologieën van de heersende klasse worstelen om de voorrang met de progressieve ideologieën van de sociaaleconomisch omhoog strevende klassen. Na de tweede wereldoorlog zien we echter duidelijk hoe de omhoog strevende klassen (de arbeidersklasse, het proletariaat) van Marx door de toegenomen algehele welvaart worden geïncorporeerd in de “ideologie” van de heersende klasse. Anno 2015 is er eigenlijk geen sprake meer van een zelfbewuste arbeidersklasse. We zijn allemaal consumenten geworden en de theorie van Karl Marx komt, zeker na 1989, op de mestvaalt van de geschiedenis terecht.

Meneer Marx hield zich uitgebreid en op wetenschappelijke wijze met de economie bezig. Hij bedacht allerlei economische wetten over arbeid, arbeidsverdeling en productieverhoudingen. Deze theorieën worden uitgebreid uiteengezet in zijn magnum opus “Das Kapital” en zijn zonder al teveel moeite overal te lezen op het wereldwijde web.

Uiteraard kreeg het gedachtegoed van Marx terecht enorm veel kritiek. En dan vooral vanuit de conservatief klassiek liberale hoek waarin de winstgraaiende ondernemers zich hadden verschanst. Marx beweerde veel rare dingen. Hij beweerde bijvoorbeeld dat arbeidsintensieve bedrijven altijd meer winst maken dan arbeidsextensieve bedrijven. Dat is theoretisch gezien pure onzin en in de praktijk ook voor iedereen zichtbaar niet waar. Hij beweerde ook dat alleen de mens in staat is tot het produceren van meerwaarde. Haha!! Ik weet uit eigen ervaring dat een pootaardappel ook in staat is om behoorlijk wat economische meerwaarde te genereren.

De verdienste van Marx is dat hij wees op de causale verwevenheid van de economische onderbouw en zijn gespiegelde ideologische bovenbouw. Dat is mijns inziens een fundamenteel inzicht. Of dit allemaal echt zo radicaal en dogmatisch het geval was als Marx ons wilde doen geloven valt te betwijfelen.

Er was dus, zoals gezegd, ook veel kritiek op Karl Marx. Er wordt bijvoorbeeld, volgens velen, door Marx geen recht gedaan aan de geestelijke waarden en verschijnselen, met name niet aan kunst en religie, doordat hij monomaan blijft vasthouden aan zijn dogma dat kunst en religie uit niets anders kunnen voortvloeien dan uit de materiële onderbouw en daarmede dus exclusief het spiegelbeeld zijn van economische processen. Deze eenzijdige nadruk op het materialistische monisme, hier dus in de vorm van een star historisch determinisme, verhindert Marx een andere mogelijkheid te zien dan een uiteindelijke totale revolutionaire omverwerping. Marx was er kennelijk van overtuigd dat de algehele socialisering van alle productiemiddelen op den duur voldoende zou zijn om het paradijs op aarde te creëren.

Mijns inziens hebben de afgelopen honderd jaar aangetoond dat heel veel van de theorieën van Marx niet juist zijn. Soms is er zelfs sprake van klinkklare onzin.

Afsluiting.

Veel van wat Marx beweert vind ik onzin. Toch heb ik sympathie voor iemand die sterk bewogen wordt door de menselijke ellende om zich heen en probeert om er met zijn hele ziel en zaligheid wat aan te doen.

Dat de werkelijke vrijheid van de mens pas begint wanneer hij op economisch gebied niet meer wordt geknecht, uitgebuit of gestuurd wordt door een ander lijkt mij evident. Ook in onze tijd werd hierover al veel behartenswaardigs geschreven. Het is voor mij eigenlijk een uitgemaakte zaak dat de verwerkelijking van het ideaal van de echte individuele economische vrijheid in de toekomst sterk afhankelijk is van de vraag of de mens er in zal slagen om bepaalde positieve hoedanigheden zoals naastenliefde, empathie, erbarmen, een milde materiële soberheid en een duurzame milieuvriendelijke leefwijze verder te ontwikkelen en om tegelijkertijd destructieve eigenschappen zoals excessieve bezitsdrang, machtswellust, afgunst etc. te beteugelen.

Het huidige tijdsbeeld geeft mij echter niet echt veel hoop op een betere toekomst.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s