Tagarchief: Joods

De verschijning in de seringenboom.

Red Baron. 2015

Dit gebeurde eind augustus 1953:

Jonathan Eisenmann was net thuis van ‘boodschappen doen’ toen hij in zijn keurig onderhouden tuin een eigenaardig soort diertje zag hangen aan het vogelvoederhuisje dat ooit door hem aan één van de stammetjes van de seringenboom werd vastgenageld als vriendelijk en bezorgd gebaar naar al die kleine en vertederende zangvogels die zijn tuin frequenteerden. Het wezentje was niet groter dan zijn pink, had menselijke handjes en had zichtbaar moeite om zich te blijven vastklampen aan het korte dunne stokje waarop normaal de gevederde vriendjes zaten als zij zaad uit het silootje wilden pikken. Het hoofdje van het diertje vertoonde tot zijn verbijstering menselijke trekken. Het werd getooid door iets wat leek op zo’n ouderwetse lederen vliegeniershelm, maar dan heel erg klein. Zijn kleertjes bestonden uit een felblauw mini-overalletje en aan zijn pootjes droeg het piepkleine, glimmende, zwarte laarsjes. Om zijn linkerarmpje had het miniwezentje een zwarte band met een fel rood rond vlak waarop twee identieke zwarte runentekentjes waren afgebeeld. Iets boven het vogelhuisje zag hij iets in de boom hangen. Bij nadere beschouwing bleken dit de resten van een deerlijk gehavend vliegtuigje te zijn met een afgebroken rechtervleugel en een bekraste en gebutst rompje.

Het manneke schreeuwde zo luid als het kon. Desondanks hoorde Eisenmann niet meer dan een vaag gepiep dat tussen het opgewonden gekwetter van zijn gevederde vriendjes nauwelijks was te onderscheiden. Voorover buigend trachtte hij te horen wat het ventje zei. “Verdammt noch mal”, schreeuwde het kereltje, “Mach mir mal los. Ich bin so eben abgestürzt. Mach mal schnell, du grosse stinkende Dreckschwanz!!” Op de HBS had Eisenmann wel wat Duits gehad dus begreep hij min of meer wat het vliegeniertje hem toeschreeuwde, maar bovenal werd hij het meest getroffen door de onverschrokken agressiviteit van de gillende miniatuurnazi.

Het terrarium!!, bedacht hij. Het terrarium waarin hij voor de oorlog salamanders en andere slootbewoners opsloot om ze nader te bestuderen. Dat kwam nu mooi van pas. Hij beende naar het schuurtje, na eerst het heftig scheldende minimannetje met de pincetgreep te hebben vastgepakt. Het manneke bleef zich als een bezetene spartelend verzetten en schold hem nog steeds de huid vol. In het brein van Eisenmann rijpte een plan. Met een hand vatte hij het terrarium dat op de werkbank stond en schoof het naar het midden. Langzaam liet hij het mannetje erin zakken. Op de bodem van het terrarium begon het ventje driftig rond te rennen. Zo nu en dan stond het stil en schopte tegen het dikke glas. Zijn onafgebroken woordenstroom had een ietwat holle, iets lagere klank gekregen door geluidsweerkaatsing van het glas. Eisenmann schoof het gammele, nog niet gerepareerde, Thonetstoeltje aan en bleef op zijn gemak naar de lawaaischopper zitten kijken. Nu probeerde het manneke weer tegen de dikke glaswand op te springen, maar deze was meer dan 75 centimer hoog en derhalve een onoverkoombaar obstakel. De weg naar zijn vrijheid was effectief geblokkeerd. Ja, neergestort in een reuzenwereld. Afkomstig, waarschijnlijk, uit de krochten van een nationaal socialistische dimensie, die door een wrede speling der natuurwetten een fractie van een seconde synchroon liep met het universum van Eisenmann. Een plan rijpte in het hoofd van de vermoeide joodse man. Hij keek nog eens zorgvuldig of het mannetje geen mogelijkheden tot ontsnappen had en liep vervolgens de schuur uit en zijn huis weer binnen. Hij had een krant bewaard. Een krant waarin een foto van een concentratiekamp stond afgebeeld. Auschwitz. Er stond ook een foto in van de stapels lijken van joodse mensen die de duivel niet meer had kunnen verbranden in zijn ovens. Hij pakte de krant uit de onderste lade van zijn oude eikenhouten bureau en sloeg hem open. Ja, daar waren de foto’s. Zijn ogen vulden zich langzaam met tranen. Zijn leven was voorbij. Hij had de hel overleefd, maar zijn leven was voorbij. Hij voelde niets meer. Hij bestond alleen nog. Maar toch die tranen, nu. Dat kwam door de hernieuwde confrontatie met de duivel, al was die duivel dit keer nog zo klein. Hij legde de krant weer weg. Zijn handen trilden. Met een onbeholpen gebaar veegde hij zijn tranen weg en vloekte een keer hartgrondig. Hij liep weer naar buiten. Hij moest tot rust komen en zou straks opnieuw kijken. Het was niet makkelijk. Door de geopende schuurdeur klonk gedempt het Duitse geschreeuw van het mannetje. Hij zou hem dood kunnen maken. Zo’n klein mannetje. Waarom niet?

Eerst een sigaret. Hij blies de sigarettenrook omhoog, de lucht in. Dan ging hij het schuurtje weer in. Zijn wangen waren bol van de verzamelde sigarettenrook. Met zijn hoofd vlak boven het terrarium blies hij de rook weer uit. Het mannetje schreeuwde even nog harder, maar begon vervolgens te hoesten en klapte dubbel van benauwdheid. Eisenmann moest lachen.

In de krant stond dus een afbeelding van een barak. Precies zo’n barak als waarin hij twee jaar had moeten verblijven in Auschwitz. In de schuur had hij nog hout. Mooi hout. Triplex en reeds geschuurde kleine balkjes die hij bedoeld had om een besteklade van te maken.

In het terrarium was het stil geworden. Het mannetje lag op de harde vloer van glas te slapen. Eisenmann zette wat water en een stukje brood in het terrarium. Ook had hij een grote ijzeren vingerhoed erin gezet die het mannetje als latrine kon gebruiken. Een washandje kon dienen als slaapplek. Hij nam het hout mee naar binnen, ging aan de keukentafel zitten en begon te knutselen. Hij gebruikte de figuurzaak en de lijm en bouwde de barak zo natuurgetrouw na. De deuren konden echt open en er zaten ramen in. De dagen gingen voorbij. De mininazi hield zich koest en maakte gebruik van de faciliteiten die hem door Eisenmann waren geboden. Het water in het schaaltje werd elke dag ververst en zo nu en dan kreek het ventje wat kleine stukjes fruit en reepjes slagersham.

Het barakje was klaar. Eisenmann zette het in het terrarium en legde een plank met gaten over de bovenkant van de glazen bak om te voorkomen dat de mininazi zou ontsnappen. Hij had een houten doosje gemaakt waarin het mannetje kon slapen. Ook had hij een tafeltje gemaakt met riempjes, waarop hij de kleine nazi kon vastbinden. De eerste maand liet hij het ventje met rust en hield hij zich bezig met het repareren van het vliegtuigje waarin het kereltje had gezeten toen hij verongelukte in de tuin.

Tijdens het loofhuttenfeest begon hij met zijn plan. De mininazi werd op het tafeltje vastgebonden en Eisenmann stak de bunsenbrander op de werkbank aan. Het brandende gas siste en loeide als vuur uit de hel. Een naald werd door Eisenmann in het heetste deel van de vlam gehouden en de punt begon al snel te gloeien. Eisenmann werkte zo dat het ventje alles kon zien wat hij deed.

Alras gilde de mininazi als een mager varkentje. Eisenmann hield de naald boven het buikje en deed verder niets. “Sag das es dich bereut” waren de eerste woorden die Eisenmann tegen het kereltje sprak sinds hij het manneke in zijn tuin had ontdekt. Het ventje gilde nog harder en riep: “Was soll diese quatsch bedeuten? Lass mich gefalligst in Ruhe. Das dürfen Sie mir nicht antun!”

Eisenmann prikte voorzichtig door het blauwe overalletje. Er kringelde wat rook omhoog en er verspreidde zich een lichte geur van aangebrand vlees. Het mannetje gilde als een mager speenvarken. “Sag das es dich bereut”, herhaalde Eisenmann. Het mannetje, door de felle verscheurende pijn bijna krankzinnig geworden riep: “Jawohl, jawohl, Ich bereue alles” Eisenmann haalde de naald weg en zei: “Morgen mag je weg. Ik heb je vliegtuig gemaakt. Het kan weer vliegen”.

Het ventje leed die nacht veel pijn door de diepe brandwond in zijn buik. Hij draaide om en om op zijn washandje en kreeg de ene nachtmerrie na de andere.

In het huis haalde Eisenmann zijn jachtgeweer uit de kast, maakte het schoon en stopte er twee hagelpatronen in en zette het vervolgens achter de keukendeur, klaar voor gebruik.

De volgende ochtend plaatste hij de mininazi in zijn opgelapte vliegtuigje, kreeg het motortje weer aan de gang en gooide het vliegtuigje vervolgens de lucht in. Eerst dreigde het vliegtuigje weer neer te storten, maar vlak boven de grond kreeg het voldoende momentum om uit een vrille te geraken en schoot het bijna loodrecht de lucht in. Al gauw zat het op zo’n vijftien meter hoogte. Op twintig meter, zomaar uit het niets begon de werkelijkheid te schuiven en ontstond een onstabiel wormgat met blauw knetterende, elektrisch geladen randen. Een opening naar die andere werkelijkheid. Het vliegtuigje schoot er op af. Inmiddels had Eisenmann zijn jachtgeweer geschouderd en haalde het vliegtuigje, toen het nog maar een paar meter van het wormgat was verwijderd, met een welgemikt schot neer. De resten dwarrelden naar de grond, het wormgat sloot zich weer. Eisenman begon te zoeken. Na enige tijd slaakte hij een zucht van opluchting. Hij zag het hoofdje van de mininazi in het gras liggen. Het was door een hagelkorrel op effectieve wijze van het rompje gescheiden.

Met het hoofdje tussen duim en wijsvinger geklemd liep Eisenmann de keuken weer in. Achter in de keukenkast bewaarde hij een zorgvuldig bewerkt kristallen flesje met een vrij ruime opening waarop een prachtig geciseleerde zilveren schroefdop past. In het gootsteenkastje stond een vergeten fles met een waterige oplossing van ethylalcohol (70%). Hij goot een beetje van het sterke water over in het kristallenflesje. Vervolgens liet hij het nazi-hoofdje in de vloeistof zakken, draaide de zilveren schroefdop er weer op en zette het flesje op het Kabinet naast het kleine glas-in-loodraam. De foto met de afbeelding van het concentratiekamp en de stapels lijken knipte hij uit de krant, plaatste haar in een kostbare zilveren lijst en zette deze ook op het kabinet, naast het op sterk water staande nazi-hoofdje. In de kantlijn van de foto had hij met potlood geschreven: “Is dit een mens?”

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Benedictus Spinoza. Gelovige of ketter?

Spinoza. 2015 Tractatus Theologico - Politicus. 2015 Spinozahuisje Rijnsburg. 2015

 

Spinoza werd op 24 november 1632 geboren te Amsterdam op de Vloonburg (de huidige Zwanenburgwal. Vlak bij de plek aan de Amstel waar nu de Stopera is).

Zijn vader was Michael d’ Espinoza (alias: Gabriel Alvares). Hij trouwde drie maal. Zijn eerste echtgenote was Rachel d’Espinoza, dochter van zijn oom Abraham Jesserun d’Espinoza uit Nantes. Zij schonk Michael twee kinderen, Isaac en Rebecca. In 1627 overleed zij. Vervolgens trouwde hij met Hanna Deborah, die hem drie kinderen schonk t.w. Miriam, Baruch, Gabriel. Zij overleed in 1638 aan tuberculose toen Baruch 6 jaar oud was. De derde echtgenote was Ester dÉspinoza die kinderloos bleef en in 1653 overleed.

De familie d’ Espinoza was afkomstig uit Portugal. Het waren joden die door het katholieke bewind waren verjaagd (Maranos) uit Spanje en Portugal. Zij kwamen uiteindelijk via Nantes en Antwerpen in Amsterdam terecht waar zij een hechte gemeenschap vormde inclusief de joodse gebruiken.

Spinoza bezocht de normale joodse scholen (“Ets Haim”, Boom des Levens). Zijn familie genoot aanzien binnen de joodse gemeenschap en was donateur van de joodse school waar Spinoza op zat. Spinoza bleek een uitzonderlijk begaafde leerling. Toen zijn oudere halfbroer Isaac overleed moest hij van zijn vader Michael in het familiebedrijf komen werken. Zij handelden, via hun bedrijf in Nantes, in mediterrane producten. Door dit werk was Spinoza niet in staat om zich optimaal aan zijn studie te wijden. Desondanks slaagde hij erin om allerlei controversiële gedachten en ideeën te ontwikkelen en te uiten die hem uiteindelijk ernstig in conflict brachten met de orthodoxe joodse gemeenschap waartoe hij behoorde.

Hij bestudeerde, als autodidact, de Tora, de Bijbel en de bekende joodse filosofen (Maimonides, de joodse evenknie van de Arabische Averroës). Hij leerde latijn en maakte zo kennis met de middeleeuwse scholastiek (Abelard, Thomas van Aquino, Albertus Magnus etc.), met de Griekse filosofen (Socrates via Plato, Aristoteles, Plotinos etc) en tenslotte met de nieuwe filosofie van de Renaissance, vooral Giordano Bruno en Rene Descartes. Met name Giordano Bruno wond er in zijn tijd geen doekjes om. Hij vertolkte zo ongeveer dezelfde metafysica als Spinoza. Er kan geen sprake zijn van een buiten het “AL” bestaande God die dus als buitenstaander het geheel zou besturen. Nee, zei meneer Bruno, er is slechts “Het Zijnde”, het universum, dat wil zeggen ons eigen ruimtetijdcontinuüm, dat gelijk te stellen is aan God.

Vanwege zijn godslasterlijke en blasfemische beweringen werd Spinoza voor de Parnassim (bestuurders van een Sefardische gemeente) gedaagd en hem werd verzocht zijn leven te beteren en zijn ideeën af te zweren. Dit weigerde Spinoza, waarop hij door de Parnassim werd geëxcommuniceerd, verbannen, vervloekt, kortom met pek en veren overdekt verjaagd uit de joodse gemeenschap. Contact met hem werd strafbaar. Hij werd als het ware uitgewist door de joodse gemeente. Het originele exemplaar van de oorspronkelijke akte van zijn excommunicatie bestaat nog en daar kan men met eigen ogen lezen waar men Spinoza van beschuldigde en hoe men hem voor deze ‘misdaad’ meende te moeten straffen. (Zelf denk ik dat er wellicht nog iets anders speelde dan alleen de blasfemie. Misschien was Spinoza wel homoseksueel en reageerde men daarom zo buitenproportioneel). Baruch Spinoza werd nu Benedictus Spinoza!

Hij werd in ieder geval uit de joodse gemeente verstoten, verbannen, vervloekt en verdoemd met alle vloeken die in het boek der Wet staan opgetekend. Toen dit gebeurde was Spinoza 24 jaar oud en kwam hij dus volstrekt alleen te staan. Hij wanhoopte echter niet en hij wierp zich des te fanatieker op zijn wetenschappelijke werk. In zijn onderhoud voorzag hij door het slijpen van lenzen. Hij leefde relatief teruggetrokken. Verhuisde wel vaak en woonde in Rijnsburg, Voorburg en Den Haag. Langzamerhand werd hij in de wetenschappelijke wereld een beroemd personage. Hij correspondeerde met de meest befaamde wetenschappers van zijn tijd in Europa. (Descartes, Leibniz, Henry van Oldenburg etc.).

Op 21 februari 1677 stierf Spinoza, net als zijn moeder Hanna Deborah, op 44 jarige leeftijd aan tuberculose.

Zijn werk:

Het enige werk van Spinoza dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd is de “Tractatus Theologico – Politicus” Het verscheen in 1670. Globale inhoud: De bijbel werd niet aan enkelen, maar aan de gehele mensheid geopenbaard. De inhoud van dit boek werd middels gelijkenissen, parabels, wonderen etc aan de mensheid kenbaar gemaakt. Dus geen middels de rede, maar op geleide van wonderen, voorbeelden en allerlei irrationele flauwekul. Maar waar wonderen en alles wat dies meer zij de massa vermocht te betoveren, ziet de ‘wijze’ (de met redelijk inzicht begiftigde) Gods macht het meest aanwezig in de grote onveranderlijke natuurwetten. De massa gelooft daarentegen dat God zich openbaart als hij het rationele, gewone natuurverloop verbreekt door middel van wonderen.

Spinoza concludeert dan ook min of meer dat er een geloof is voor de eenvoudigen van geest en een ander, rationeel verhevener, geloof voor de wijzen.

Ook concludeert Spinoza dat Jezus niet Gods zoon is, maar wel de grootste en edelste aller mensen. Hij pleit hartstochtelijk voor de verwijdering van alle starre dogma’s die het geloof aankleven en die, zoals de praktijk steeds weer laat zien, alleen maar leiden tot tweedracht en onverdraagzaamheid. Hiermede is Spinoza zijn tijd ver vooruit en hebben zijn woorden, zeker in deze tijd, nog niets van hun zeggingskracht verloren. Het ware wellicht een goede zaak om op de Islamitische scholen de woorden van Spinoza ook eens te laten klinken.

Het standaardwerk van Spinoza is echter de “Ethica” dat pas na zijn dood werd gepubliceerd in 1677. Het is een ontoegankelijk werk, meetkundig van opzet. Het volgt als zodanig de Euclidische methode, gaat dus uit van mathematische begrippen als axioma’s en werkt met stellingen, bewijzen en conclusies. Er is geen enkel overbodig taalgebruik. Voor een beginner in de filosofie is het een echte afrader. Eigenlijk net zoals het mystieke werk van die rare Heidegger een afrader is.

De inhoud van de “Ethica” is samengeperst op twee honderd bladzijden. Bladzijden die wel tien keer gelezen moeten worden om echt tot de gedachten van Spinoza door te kunnen dringen.

In de “Ethica” gaat Spinoza uit van het begrip: SUBSTANTIE = het ene of oneindige dat onder en achter alle dingen is en alle “ZIJN” bevat en in zich verenigt (voor de goede orde: Substantie is in de metafysica synoniem voor het ding. In de filosofie, en met name in de ontologie, verwijst het naar wat permanent is in de dingen die veranderen. De interpretaties van wat substantie is variëren al naargelang het ingenomen standpunt: zij die stellen dat er slechts één substantie is (de monisten) en zij die het bestaan van twee of meerdere substanties aannemen (de standpunten van respectievelijk de dualistische filosofie en de pluralistische filosofie). Het is eeuwig, oneindig en volstrekt vanuit zichzelf bestaand. Spinoza stelt ‘substantie’ gelijk aan God of natuur. Tegenover het begrip substantie bestaat vlgs Spinoza het begrip ‘MODUS” Dat is alles wat niet uit zichzelf vrij en tegelijk noodzakelijk bestaat, dus in feite alles wat zijn voorwaarde voor zijn bestaan heeft in iets anders. De oneindige substantie heeft twee eigenschappen (Spinoza noemt het attributen), althans de mens kent er slechts twee, namelijk: UITGEBREIDHEID en DENKEN. God is dus oneindige uitgebreidheid en oneindig denken. Denken en uitgebreidheid zijn derhalve aspecten van één substantie. En hier komt Spinoza dus in aanvaring met de opvatting van Descartes die namelijk uitgaat van twee substanties: lichaam en ziel. (Cogito ergo sum).

Spinoza constateert dat elk wezen er naar streeft om in zijn bestaan te volharden. En wordt de drang tot zelfhandhaving bevredigd dan ontstaat er vreugde, maar wordt deze drang afgeremd dan onstaat er droefheid. Dit alles voltrekt zich als een natuurlijke noodzaak en met een ijzeren consequentie. Zo kan men een theoretisch model maken inzake de hoedanigheid van de mens in zijn algemeenheid. Hoe zit de mens in elkaar? In het derde deel van de Ethica verricht Spinoza dit onderzoek. Zijn aldus verkregen inzichten vinden nog steeds hun bevestiging in de moderne theoretische en klinische psychologie.

De metafysica (Metafysica is de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke waarneming (fysica), maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert. Als zodanig beschouwd is metafysica ook de grondslag van de wetenschappen omdat die uitgaan van een zekere aanname over de aard van de werkelijkheid. Oorspronkelijk betekende de term Wat na de natuur (fysica) komt, gebaseerd op werken van Aristoteles die volgden op zijn ‘Fysica’) van Spinoza is deterministisch. Het begrip ‘substantie’ (ding) is een holistisch begrip. De werkelijkheid doet zich via de werking van de tijd aan ons brein voor als een dynamisch lineair verlopend proces. In feite is de werkelijkheid vlgs Spinoza een vaststaande en causale holistische entiteit. Wellicht, maar dat denk ik zelf dan weer, ligt deze entiteit ingebed in een, wat wij nu noemen, singulariteit (een ongewoonheid, iets waar de natuurwetten niet meer geldig zijn of niet meer toegepast kunnen worden) en is de God van Spinoza gelijk te stellen aan substantie + singulariteit. Het klinkt een beetje vreemd, maar beter kan ik het op dit moment niet verwoorden!

We kunnen teruggaan naar de Griekse pre-socratici in de persoon van Parmenides die al een uiterst interessante ontologie ontwikkelde daar waar het gaat om een deterministische metafysica namelijk zijn overtuiging dat er geen verandering is, geen worden. Hij is derhalve voor latere tijden belangrijk, niet vanwege de hiervoor genoemde onmogelijkheid van verandering, maar wel vanwege de idee dat de substantie eeuwig en onveranderlijk is; het ding (substantie dus) is datgene wat hetzelfde blijft onder wisselende omstandigheden.

Spinoza, en dat zal geen verwondering wekken gezien bovenstaande, ontkent de vrije wil van de mens. Naar zijn mening kan er ook geen sprake zijn van goed en kwaad. Iedereen noemt ‘goed’ wat zijn zelfhandhaving bevordert en ‘kwaad ‘ wat haar belemmert. Hier komt Spinoza heel erg dicht bij de opvattingen van de moderne evolutie-biologie.

Deugd” zegt Spinoza, is niets anders dan het volharden in ’s mensen vermogen zich te handhaven. Hier komt dan het begrip welbegrepen eigenbelang om de hoek kijken. Geheel krachtens eigen deugd handelen is eigenlijk niets anders dan handelen krachtens de wetten van onze eigen aard. Belangrijk hierbij is dan te beseffen dat de mens krachtens zijn natuur, zijn aard, een redelijk wezen is (?????). Net zoals Socrates deed, koppelt Spinoza hier deugd aan de verkrijging van het juiste inzicht. Dat betekent dat handelen volgens de rede, de ratio goed is. De mens handelt dus volgens zijn natuur als hij vanuit het streven naar eigen voordeel handelt op geleide van de rede. Inderdaad, het welbegrepen eigenbelang!!! Maar er zijn verlokkingen, er zijn zaken die van de rede afleiden. Er zijn hartstochten, driften en instincten. Spinoza stelt dienaangaande: een aandoening, sic, (hartstocht, instinct, of drift) kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere, tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet worden. Wat kan de rede doen als zij zich gesteld ziet tegenover al die driften en hartstochten. Noot: we komen hier langzamerhand op het terrein van het stoïcisme!

Spinoza stelt vast dat elke drift of elke hartstocht altijd weer streeft naar volledige bevrediging. Elke lust wil volledig bevredigd worden zonder inachtneming van andere hartstochten en zonder rekening te houden met het welzijn van de hele persoon. De rede leert ons daarom tegengestelde driften te coördineren en dienstbaar te maken aan de hele harmonische persoonlijkheid.

Maar ook de rede zelf kan tot hartstocht worden en als zodanig functioneren. De rede kan dan deze aandoening overwinnen door zelf aandoening te worden. Er is dan sprake van een ultiem, via de rede verworven inzicht, dat zich manifesteert in hartstocht, in passie voor de onwrikbare rationele evidentie van de ‘Goddelijke’ rede. Het niet door externe stoorzenders, externe stimuli dus, belemmerde inzicht in de ratio van de natuur/God (substantie) schenkt ons dienaangaande, zoals Spinoza het noemt, adequate ideeën.

Driften, hartstochten en ook de zintuiglijke waarneming belemmeren de mens vaak bij het verwerven van adequate ideeën. Alleen de rede in haar hoogste vorm, die Spinoza ‘onmiddellijke aanschouwing’ noemt, verschaft ons adequate ideeën. Zij geeft geen verwarde kennis over de dingen als afzonderlijke grootheden, maar ziet alles in zijn noodzakelijke en eeuwige samenhang.

Zoals we kunnen constateren is Spinoza echt een loot aan de boom van het rationalisme. Hij heeft niet veel op met de zintuigen en de instincten. Hij wantrouwt ze. Spinoza is, zoals reeds gezegd, van mening dat slechts de rede echt betrouwbare kennis kan schenken. En hoever staat Spinoza hier niet af van de empiristen en alle daaruit voortvloeiende opvattingen over de methoden om de wetenschappelijke waarheid te zoeken. Het empirisme dat eenduidig de nadruk legt op het primaat van de zintuiglijke waarneming. Spinoza echter twijfelt niet aan het verstand en zijn vermogen om heldere kennis en onvoorwaardelijke zekerheid te bieden.

Wat we met de rede als absoluut waar hebben aangemerkt, aanvaarden we ook. Adequate ideeën worden aanvaard. De mens komt door inzicht in de rede van het noodzakelijke tot juiste zelf-bepaling en tot echte vrijheid. Het is de enige ware vrijheid die hij kan bereiken. Met het toenemen van voornoemd inzicht groeit volgens Spinoza ook de liefde tot God en het zich voegen naar zijn wil. Zo ontstaat de geestelijke liefde tot God/de natuur (amor dei intellectualis). Tegelijk is deze liefde natuurlijk ook een ‘amor fati’, een liefde tot het onveranderlijke lot (determinisme), zoals Nietsche twee eeuwen later verkondigde. Geluk is geen beloning van de deugd. De deugd zelf is het geluk.

Politieke opvattingen

Spinoza had zeer zeker ook politieke opvattingen. Bij deze opvattingen speelt altijd de geestelijke vrijheid een hoofdrol. Het gaat om het primaat van de vrije meningsuiting en de vrijheid van denken in het algemeen.

Het recht van de staat zal altijd even ver reiken als zijn macht. En tot de macht van de staat behoort alles wat hij kan afdwingen. Er zijn echter dingen die je niet kunt afdwingen, te weten godsdienstige en wetenschappelijke overtuigingen.”Niets verdragen mensen van nature moeilijker dan dat meningen die zij voor waar houden als misdadig worden beschouwd”.

De invloed van Spinoza op het denken was behoorlijk groot. Aanvankelijk duurde het even voordat die invloed gestalte kon krijgen. Hij was aanvankelijk een eenling. De joodse gemeenschap had hem radicaal verstoten en de katholieke kerk zette zijn geschriften op de index van verboden boeken. En in Duitsland overvleugelde het gedachtegoed van Leibniz (de leer der monaden) voorlopig de filosofie van Spinoza.

Maar uiteindelijk kreeg Spinoza steeds meer volgers. En won zijn filosofie steeds meer aan invloed. In Duitsland b.v. Lessing, Herder en Goethe. Maar later ook Schopenhauer, Nietsche, en Henry Bergson.

Kritiek: Spinoza nam als gegeven aan dat ‘inzien/inzicht’ en ‘aanvaarden/aanvaarding’ met elkaar samenvallen. Hij kon zich daarom nauwelijks voorstellen dat iemand iets onontkoombaar zou inzien met zijn verstand en het dan toch niet zou erkennen of aanvaarden. Spinoza ging mijns inziens ten onrechte uit van de ‘redelijke mens’, van de prevalentie en suprematie van de rede.

Een ander punt dat ik niet in zijn voordeel vind spreken is het feit dat hij het niet wenselijk achtte om het menselijk egoïsme te overwinnen. Het kwam hem als volkomen absurd voor dat iemand zich zou opofferen voor een ander. Hierin verschilt hij met zijn opvattingen sterk van de kern van het Christendom.

Met betrekking tot het ontbreken van de sociale component in de filosofie van Spinoza zal ik, na verdere studie, nog nader berichten.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized