Tagarchief: Spinoza

Algemene inleiding in de filosofie van Spinoza.

Ethica. Benedictus Spinoza.

Ethica. Benedictus Spinoza.

Algemene inleiding in de filosofie van Spinoza.

R.J. Scholtens.

Inleiding.

Uit alle hoeken en gaten heb ik materiaal bij elkaar gezocht om dit verslag over de filosofie van Spinoza samen te stellen. Vaak heb ik ook zelf dingen bedacht. Mijn bedoeling is om na deze algemene inleiding mijn eigen kritiek op de filosofie van Spinoza te berde te brengen. Dat zal dan gebeuren in een zelfstandig essay of hoe je zoiets ook maar wilt noemen. Over zijn levensgeschiedenis heb ik op OBA al eerder geschreven. Ook heb ik toen, veel te summier overigens, iets over zijn filosofie gezegd, maar in een dermate krakkemikkige vorm dat door mij aan de essentie van zijn gedachtegoed geen recht werd gedaan. Ik heb gemerkt dat het beschrijven van Spinoza’s filosofie heel erg veel precisie vereist. En die taalkundige precisie ontbeer ik nog steeds. De kerngedachten van zijn, best wel lastige, filosofie heb ik me inmiddels min of meer eigen gemaakt, maar ik heb dus moeite om mijn “begrijpen” in exact de juiste woorden te vertalen.

Maar nu eerst dus wat ik van elders aan kennis bij elkaar gesprokkeld heb over de filosofie van die dekselse meneer Spinoza:

Benedictus Spinoza was geen echte professionele wetenschapper. Hij was meer een autodidact. Dat had zijn voordelen. Zo had hij geen banden met de officiële kerk, met een universiteit of met stadhouderlijke hofkringen, waardoor hij vrij en zonder last of ruggespraak kon opereren. Hij bleef daardoor ook authentiek en oorspronkelijk in zijn denken en gaf hij steeds weer blijk van een ongekende intellectuele zuiverheid. Maar een en ander had ook zijn schaduwkanten. Hij was controversieel en werd herhaalde keren beschuldigd van ketterij. Hij werd verstoten uit de joodse gemeenschap en verbannen uit de stad Amsterdam Hij werd voortdurend beschuldigd van ketterij door de horde schijnheilige vrome dogmatici die normaliter toch wel de dienst uitmaakte in de Republiek der Verenigde Nederlanden van de 17e eeuw.

Spinoza bleef door zijn gedachtegoed dus een buitenstaander waardoor hij een fris en radicaal perspectief op het (politieke en sociale) leven kon behouden. Hij was, door zijn immense denkkracht, in staat om de verwarring, het bijgeloof en de daaraan klevende vooroordelen te doorzien. Zaken die het dagelijkse leven in de 17e eeuw op een pregnante wijze doordesemden. Nu het gedachtegoed zelf.

Spinoza stelt dat God niet de schepper is van deze wereld. Deze wereld is echter wel een deel van God. Spinoza wordt sterk beïnvloed door de filosofie van de Stoa.

Velen noemen Spinoza een pantheïst. Dit wordt door Spinoza in alle toonaarden ontkend. Hij houdt vastberaden vast aan het verschil tussen God en de wereld. De oorspronkelijkheid van Spinoza is namelijk gelegen in de aard van eerdergenoemd verschil. God en de wereld zijn niet twee verschillende zaken, maar ze vormen twee verschillende aspecten van een enkelvoudige werkelijkheid.

Spinoza biedt een radicaal filosofisch alternatief voor de in ontwikkelde kringen vigerende Cartesiaanse filosofie. Overigens een filosofie die tot dan toe de intellectuele en culturele erfenis van de vroege verlichting vorm gaf, maar ook nu nog grote invloed heeft op ons filosofisch denken.

De filosofie van Spinoza is door en door praktisch. Het zijn niet louter intellectuele constructies, maar veelal directe verwijzingen naar bepaalde levenswijzen. In verband hiermede hangt de “redding” en de genade van iedereen samen met een ‘omschakeling’ van de geest naar een min of meer intuïtief begrijpen van God, van zijn aard en van zijn wetten.

Het gaat derhalve om het zich, door verwerving van adequate kennis, eigen maken van bepaalde rationele denkwijzen teneinde te komen tot bevrijding van de geest uit het spookhuis van illusies, drogredenen en dogma’s teneinde een waarlijk gelukkig leven te kunnen leiden in het volle besef van de rationele wetten der natuur die inherent zijn aan God.

Spinoza leidde zelf een vrijwel voorbeeldig leven. Betrouwbare bronnen spreken dienaangaande van bescheidenheid, zachtaardigheid, volstrekte integriteit, intellectuele moed, veronachtzaming van macht en rijkdom en het eigenlijk totaal ontbreken van wereldlijke ambities. Kom daar vandaag de dag nog maar eens om!!!

De bijbel spreekt over God als de schepper van de wereld en de regisseur van de menselijke geschiedenis. Spinoza verwerpt dus deze Bijbelse stelligheid. Hij beweert dat alles wat bestaat een aspect van God is en daarmede iets van zijn Goddelijke wezen tot uitdrukking brengt.

De “Tractatus Theologico Politicus” (1670) van Spinoza geeft een totaal vernieuwende verklaring van de inhoud van de Bijbel. Spinoza ondergraaft het gezag van de heilige schrift als waarheidsbron en zet veel vraagtekens bij de traditionele kennis van alle voorspellingen, wonderen en goddelijke wetten. De goddelijke voorzienigheid, zo stelt Spinoza, staat gelijk aan de loop der natuur. Deze natuur heeft een vastgestelde en eeuwige orde, waar niet van afgeweken kan worden. Wat gewoonlijk, op geleide van een misleidend antropomorfisme, de wil van god wordt genoemd, is in feite niets anders dan de onveranderlijke orde van de natuur.

Hieruit volgt dat de aanwezigheid en de aard van god niet wordt geopenbaard door wonderbaarlijke, bovennatuurlijke gebeurtenissen, maar door de aard, de wetten van de natuur zelf. Deze stellingname heeft uiteraard grote invloed op en enorme gevolgen voor de interpretatie en exegese van het oude en nieuwe testament van de bijbel. Spinoza is eigenlijk van mening dat ontwikkelde, gestudeerde mensen zich niet zomaar klakkeloos moeten laten leiden door deze volstrekt tegennatuurlijke fenomenen. Het merendeel van de inhoud van de bijbel is zuiver symbolisch bedoeld en daarom fictief.

Men kan zich voorstellen dat het poneren van dergelijke enormiteiten anno 1670 als pure ketterij werd beschouwd en Spinoza oogstte dan ook een storm aan protest en veroordelende uitspraken. Maar uiteraard houdt Spinoza voet bij stuk en wordt beschermd door het voor die tijd ongewoon tolerante intellectuele klimaat in de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Spinoza stelt dat de natuur met zijn orde en wetmatigheid de essentie en het bestaan van god openbaart en dat deze conclusie niet anders dan rechtstreeks kan leiden naar de opvatting dat de natuur goddelijk moet zijn en derhalve ook als zodanig gewaardeerd dient te worden. De natuur ( en zijn wetten ) dient, juist omdat zij gelijkgesteld is aan God, met verschuldigde eerbied behandeld te worden. Het gaat dan ook niet aan om allerlei kermisachtige wonderen en flauwekul als bewijs voor het bestaan van God te beschouwen. Men dient God, en de inherente natuur met zijn wetten serieus te nemen.

Spinoza krijgt veel aanhang en invloed bij de grote romantische schrijvers en dichters van de 19e eeuw (

Zijn filosofie brengt de wetenschappelijke en romantische wereldbeschouwingen dichter bij elkaar. Zijn gedachtegoed zet aan tot liefde voor de wereld van de natuur, en het bevordert en vermeerdert het begrip van de mens voor de orde en de wetten van die natuur.

Wat God niet is.

In zijn postuum verschenen Ethica (1677) probeert Spinoza zijn lezers te bevrijden van de gevaren die er schuilen in het toeschrijven van puur menselijke trekjes en kenmerken aan God. Hij probeert het antropomorfisme in het geloof uit te bannen. Hij stelt dat het niet juist is om God voor te stellen als een subject met intelligentie en een eigen wil. De God van Spinoza is een totaal onpersoonlijke macht of kracht. God beloont niet en God straft niet. Dit inzicht, zo zegt Spinoza, bevrijdt het geloof van de angst en het eindeloze gemoraliseer.

God handelt niet op basis van redenen of bepaalde doelstellingen. Spinoza verwerpt de teleologische opvatting over God. Dit gaat rechtstreeks in tegen de dan heersende westerse opvattingen over God. Juist de gedachte dat een specifiek verschijnsel kan worden verklaard en begrepen in relatie tot of met verwijzing naar een bestemming, een plan of een bepaalde doelstelling was tot dan toe de hoeksteen de Aristotelische filosofie, dus ook van de middeleeuwse scholastici. De teleologie van Aristoteles en de Christelijke leer behelsde het idee dat God het universum en deze wereld had geschapen conform een bepaald plan.

De mens, zo vertelt Spinoza, is geneigd om zijn eigen geestesgesteldheid en gemoedstoestanden eveneens toe te dichten aan God, waarbij God dus begrepen dient te worden als een potentieel boze, liefhebbende, genadige of wraakzuchtige entiteit. En zo krijgt uiteindelijk ieder mens zijn eigen, persoonlijk vorm gegeven, god. Is meneer Spinoza dan een atheïst? Nee hoor, meneer Spinoza denkt welzeker dat de mens middels het adequaat gebruik van de alomvattende rede tot god kan geraken. Hij is van mening dat er een waarlijk begrip van God mogelijk is. Een begrip dat bereikbaar en toegankelijk is voor de menselijke intelligentie.

Spinoza wil zijn lezers bevrijden uit de kerkers van hun onwetendheid, teneinde hen via de allesomvattende rede dichter naar de glorie, het geluk van god te leiden.

Zoals gezegd, is hij dus niet simpelweg een atheïst of een platte criticaster van religie, noch is hij een sceptische agnost zoals David Hume. Integendeel, Spinoza plaatst de notie van God in het hart van zijn filosofie en hij beschrijft het ideale leven van een mens als een leven dat is toegewijd aan de liefde voor God.

Alles wat er is, is God.

God is oneindig en eeuwig, kent geen grenzen. De totale werkelijkheid moet noodzakelijkerwijs existeren binnen het begrip God. Wat stelt Spinoza in de plaats van de door hem afgewezen antropomorfische en antropocentrische god? In dat verband is het verstandig om eerst de filosofische terminologie van Spinoza te bezien. Hij gebruikt dienaangaande de volgende begrippen t.w. Substantie, modus en attributen. Hij is het niet eens met de filosofie van Rene Descartes. In de ogen van Spinoza bestaat er slechts één substantie en dat is God. Onder substantie verstaat Spinoza datgene wat alleen uit zichzelf begrepen kan worden. Modi en attributen zijn eigenschappen van deze enige en unieke substantie. Zij zijn daarom ook logischerwijze afhankelijk van deze enige en unieke substantie.

Descartes daarentegen kent drie op zichzelf staande substanties t.w. Uitgebreidheid, denken en god. Deze cartesiaanse filosofie geeft elke keer weer aanleiding tot het beruchte “geest – lichaam probleem”. Dus de dualiteit van de substanties geest en lichaam en hoe zij tot interactie kunnen komen. De cartesiaanse wijze van denken spreekt ons aan. Wij nemen in de door ons gekende werkelijkheid waar dat de wereld wordt bevolkt door afzonderlijke zaken, door op zichzelf staande dingen. Deze afzonderlijke zaken hebben hun eigen kenmerken en hoedanigheden.

Spinoza beweert dat er slechts een ongedeelde god is, die oneindig en eeuwig is. Dus kan er niets buiten of afgescheiden van deze god bestaan. Alles wat bestaat , bestaat binnen god.

Over de menselijke natuur.

God is de enige onafhankelijke, uit zichzelf verklaarbare entiteit. Er is niets anders. God is de natuur. God is de werkelijkheid, de enige en essentiële substantie.

Tot aan de tijd van Spinoza werd er door bijna iedereen van uitgegaan dat de mens beschikt over een vrije wil, zoals weergegeven en noodzakelijkerwijs voortvloeiende uit de tot dan toe toonaangevende Cartesiaanse filosofie. De filosofie die menselijke wezens dus als eigenstandige substanties ziet.

Spinoza echter, beschouwt de mens niet als een eigenstandige substantie, maar als een begrensde en eindige modus, gekenmerkt door twee attributen t.w. Uitgebreidheid (lichamelijkheid) en denken ( geest). Spinoza ontkent, en dat is erg belangrijk in de filosofie van Spinoza, dat er causale/logische relaties zijn tussen genoemde attributen. Hij beweert dat elk attribuut op zijn eigen wijze ten volle/volledig de werkelijkheid weer geeft. Het menselijk lichaam is een fysiek organisme dat de essentie van zijn specifieke “zijn” tot uitdrukking brengt in de vorm van het attribuut “uitgebreidheid”. En de menselijke geest is een intellectuele entiteit dat diezelfde essentie tot uitdrukking brengt in de vorm van het attribuut “denken”. Lichaam en geest zijn dus twee aspecten van een enkelvoudige werkelijkheid, net als kop en munt twee aspecten zijn van dezelfde medaille. De geest en het lichaam zijn één en dezelfde entiteit. Een persoon die zich de ene keer uitdrukt middels het attribuut ‘denken’ en de andere keer middels het attribuut van de ‘uitgebreidheid’.

Dit is dus in tegenspraak met Descartes die de mens primair ziet als een denkend wezen en waarbij ‘het denken’ evident prevaleert boven het fysieke, boven de factor van de “uitgebreidheid’. De moderne wetenschap is hieraan op zijn beurt weer volstrekt tegengesteld. De moderne wetenschappers beschouwen het menselijke wezen primair als een zuiver fysieke entiteit en proberen daarom uit alle macht alle geestelijke activiteit van de mens te reduceren tot zuiver fysieke processen (‘Wij zijn ons brein”).

Spinoza ontkent dus de vrije wil. Als de mens een modus is en geen substantie, zoals bij Rene Descartes, dan kan de mens nooit zelf-bepalend zijn. Het menselijk lichaam is een onderdeel van een netwerk van fysieke causaliteit en de menselijke geest is onderdeel van een netwerk van puur logisch/redelijke verhoudingen. M.a.w. Zowel onze lichamelijke handelingen als ons denken worden begrensd, beperkt en bepaald door zekere wetten. Voor Spinoza is het geloof in de vrije wil net zo goed een teken van onwetendheid en bijgeloof, als voor hem het geloof in de tegennatuurlijke wonderen van god dat ook is.

Het begrijpen van emoties.

Door het begrijpen van en door het inzicht verkrijgen in zijn/haar emoties, ongeacht of ze nou positief of negatief zijn, wint de mens aan kracht en derhalve aan geluk, aldus onze vriend Spinoza. Het bestuderen van de emoties vindt bij Spinoza op min of meer mathematische en uiterst rationele wijze plaats. Hij acht de werking van de emoties, het gevoel van de mens net zo natuurlijk en aan natuurlijke wetten onderhevig als alle andere modi die zich manifesteren vanuit die ene substantie. En omdat dat zo is kunnen ze dus met bijna mathematische precisie worden bestudeerd. Dit houdt in dat het menselijk gedrag, dat zo dikwijls zijn oorzaak vindt in de emotie, op geleide van de door de natuur gegeven rede volstrekt verklaarbaar kan worden gemaakt of in ieder geval verklaarbaar zou moeten zijn. Zonder de teugels van de rede lijken onze emoties een eigen leven te leiden. Het louter leven op basis van emoties geeft vaak aanleiding tot een misplaatst moraliserende attitude. Spinoza acht het veel vruchtbaarder om te komen tot het verkrijgen van inzicht in de aard van onze gevoelens, dan om deze gevoelens (van anderen, maar ook van jezelf) te haten of belachelijk te maken. Volgens Spinoza begrijpen we iets pas volledig als we weten waardoor het wordt veroorzaakt en hoe dienaangaande het proces der causaliteit verloopt.

Spinoza beweert vervolgens dat iedere individuele entiteit ernaar streeft om in zijn/haar bestaan te volharden. Om te leven hebben we kracht, energie nodig en omdat externe invloeden kracht kunnen verminderen, proberen we niet alleen deze kracht te behouden, maar streven we er ook naar om hem te vermeerderen. Zulk een streven wordt door Spinoza ‘conatus‘ genoemd, een zeer bekend begrip binnen de filosofie (In early philosophies of psychology and metaphysics, conatus (/kˈntəs/;[1] Latin for “effort; endeavor; impulse, inclination, tendency; undertaking; striving”) is an innate inclination of a thing to continue to exist and enhance itself.[2] This “thing” may be mind, matter or a combination of both. Over the millennia, many different definitions and treatments have been formulated. Seventeenth-century philosophers René Descartes, Baruch Spinoza, Gottfried Leibniz, and Thomas Hobbes made important contributions.[3] The conatus may refer to the instinctive “will to live” of living organisms or to various metaphysical theories of motion and inertia.[4] Often the concept is associated with God’s will in a pantheist view of Nature.[3][5] The concept may be broken up into separate definitions for the mind and body and split when discussing centrifugal force and inertia.[6]

The history of the term conatus is that of a series of subtle tweaks in meaning and clarifications of scope developed over the course of two and a half millennia. Successive philosophers to adopt the term put their own personal twist on the concept, each developing the term differently such that it now has no accepted definition.[4] The earliest authors to discuss conatus wrote primarily in Latin, basing their usage on ancient Greek concepts. These thinkers therefore used “conatus” not only as a technical term but as a common word and in a general sense. In archaic texts, the more technical usage is difficult to discern from the more common one, and they are also hard to differentiate in translation. In English translations, the term is italicized when used in the technical sense or translated and followed by conatus in brackets.[7] Today, conatus is rarely used in the technical sense, since modern physics uses concepts such as inertia and conservation of momentum that have superseded it. It has, however, been a notable influence on nineteenth- and twentieth-century thinkers such as Arthur Schopenhauer, Friedrich Nietzsche, and Louis Dumont.) Met dank natuurlijk aan meneer Wikepedia!!!

Spinoza beweert dat deze conatus niets anders is of kan zijn dan de essentie van het object/de zaak in kwestie. Zo wordt in de filosofie van Spinoza dat wat het object/de zaak is, identiek gesteld aan zijn kracht, aan zijn energie, zijn levenskracht. De begrensde, eindige kracht van een individu – de denkkracht van de geest en de lichaamskracht om te handelen – is wisselend van intensiteit in de tijd gemeten. Spinoza zegt dat het geluksgevoel stijgt naarmate het gevoel van levenskracht toeneemt en dat het gevoel van verdriet of ‘ongelukkig zijn’ stijgt als de (levens-)kracht afneemt. Dit betekent dat onze poging om te volharden in ons bestaan tegelijk een streven naar geluk of genot inhoudt. Dat wat onze kracht doet toenemen maakt ons gelukkig en dat zorgt er tevens voor dat we het waarderen als ‘goed’. Ik vind het opmerkelijk hoe dicht Spinoza hier de evolutiebiologie benadert.

Spinoza beschouwt geluk en verdriet als twee basale gevoelens en beweert dat alle andere gemoedstoestanden variaties zijn op het thema ‘geluk’ en ‘verdriet’, uiteraard in combinatie met ideeën van/over bepaalde objecten/dingen of zaken die ze veroorzaken. Het is derhalve belangrijk dat wij inzicht verkrijgen in onze gevoelens, want zonder de kennis hetwelk dit inzicht ons oplevert kunnen emoties, gevoelens ons al gauw tot een last worden, terwijl het begrijpen van gevoelens of emoties een vormende en kracht bevorderende uitwerking heeft. “Een emotie die louter hartstocht, passie is, houdt op een hartstocht, passie te zijn, zodra we in staat zijn om ons op geleide van de rede een duidelijk en helder idee te vormen over die hartstochten en passies”. Aldus Spinoza zelf!

Spinoza gaat zelfs zover te stellen dat het doorzien/begrijpen van emoties inherent gelukkig maakt, ongeacht de aard van deze hartstochten. Het verkrijgen dus van inzicht in de werkelijke (wetenschappelijk te toetsen) redenen van verdriet, boosheid en drift zou bevredigend werken en daarom op een bepaalde manier gelukkig maken. Bij dit alles werd Spinoza sterk beïnvloed door de filosofie van Aristoteles, Plato en met name door het gedachtegoed van het stoïcisme.

Over de ethiek van het zelf.

De belangrijkste hindernis op weg naar de deugd is voor Spinoza niet “egoïsme” maar de onwetendheid met betrekking tot onze ware aard. Door egoïstisch te zijn kunnen we in feite anderen helpen. Het reeds eerder genoemde begrip ‘conatus’ suggereert dat we in fundo niets anders dan egoistisch kunnen zijn, dat wij altijd streven naar ons eigen belang. Hoe is dit dan weer te rijmen met het begrip “moraliteit” ? In de ethica van Spinoza is het streven naar de vervulling van het eigen belang gekoppeld aan iets dat lijkt op moreel relativisme. In het vierde boek van de Ethica stelt Spinoza dat ‘goed’ en ‘kwaad’ geen intrinsieke waarden zijn. Hij is van mening dat wij de begrippen ‘goed’ en ‘kwaad’ moeten zien in analogie met de begrippen ‘gezond’ en ‘ongezond’ d.w.z. Wat van al dan niet van waarde voor mijzelf is is een kwestie van wat goed of slecht voor mijzelf is. Iets, een zaak, een object, kan tegelijk slecht zijn en goed, maar ook neutraal. Spinoza ontkent dus het bestaan van absolute morele waarden. Hier bouwt Nietzsche later op voort. Maar dit wil allemaal nog niet zeggen dat de ethiek van Spinoza enkel en alleen gebaseerd zou zijn op de strevingen, de meningen en vooroordelen van het individu. Zo’n bewering zou hij met kracht van zich werpen!

En hiermede keren we dus terug naar de notie van de “objectieve ethische waarden”.

Spinoza is van mening dat kennis, begrip en redelijk inzicht ten grondslag moeten liggen aan het goede leven van de mens. Als we het woord ‘moraal’ maar niet op een dogmatische wijze koppelen aan of associëren met “absolute waarden” Spinoza benadrukt dat hoe meer elk individu in staat is om zijn eigen voordeel te zoeken, des temeer hij begiftigd zal worden met “de deugd”; het omgekeerde is ook waar, zegt hij.

Als we streven naar wat waarachtig tot ons voordeel strekt – in tegenstelling tot wat we vermoeden dat tot ons voordeel strekt – versterken we zowel het bestaan van anderen als dat van onszelf. Net als Socrates beweert Spinoza dat er eigenlijk helemaal geen conflict bestaat tussen eigen belang en moraliteit, tussen egoïsme en altruïsme.

Het toverwoord is hier toch “De Rede”. Er is iets wat alle mensen gelijkelijk delen en dat is de rede. Onze werkelijke aard/natuur verkrijgt zijn vorm onder werking van de rede. De rede die doet inzien hoe alles binnen ons universum met elkaar is verbonden. “Hoe meer iemand zijn eigen voordeel tracht te bereiken en er naar streeft zichzelf te behouden, des temeer zal hij begiftigd worden met de deugd. Hoe groter zijn kracht is om te denken en te handelen volgens de wetten van zijn eigen aard/natuur en hoe meer hij in staat is om te leven op geleide van de ‘rede’, des te deugdzamer zijn leven zich zal ontwikkelen. Men kan spreken van: Leven van en door de rede.

Belangrijk is wel te beseffen dat Spinoza het niet heeft over de rede als een beperkt intellectueel begrip. Spinoza heeft een diepere, meer geestelijke en fijnbesnaarde soort wijsheid voor ogen. Misschien iets wat we tegenwoordig emotionele intelligentie noemen. Het hangt samen met het op adequate wijze bewust zijn van jezelf. Het besef dat iedere zaak deel is van een groter geheel.

Noot.

Dit is mijn samenvatting van de filosofie van Spinoza. Het vervelende is dat ik, omdat ik de gegevens uit alle hoeken en gaten heb moeten halen, er nog niet goed in geslaagd ben om deze filosofie echt helemaal met mijn eigen woorden te beschrijven. Ik heb de uitleg van anderen zo goed mogelijk vertaald met mijn eigen woorden doch dat is in mijn ogen zeker niet de ideale manier om de filosofie van Spinoza weer te geven zoals ik deze zelf voel en denk.

Mijn geheel eigen interpretatie van Spinoza’s gedachtegoed volgt nog (in 2016) evenals mijn kritiek op deze filosofie.

Nb.

Nagekomen bericht.

Mijn echtgenote vraagt zich af waarom ik toch steeds zulke grote lappen tekst op mijn blog zet. ‘Dat leest toch geen hond!’, zegt zij. Ik antwoord dan, dat weet ik wel, maar ik zie het meer als een soort opslag voor mijn teksten. Vroeger sloeg ik mijn teksten op bij Hyves, maar Hyves is door de grillen der vrije markt roemloos ten onder gegaan en nu doe ik het dus hier. En trouwens, soms krijg ik het idee dat er best wel mensen zijn die mijn stukjes lezen (als ik de statistieken tenminste moet geloven). En om de een of andere reden vind ik het een leuk idee als de mensen mijn teksten lezen. Maar dit stuk over Spinoza is voor de moderne gehaaste mens wel erg veel, nog afgezien van het feit dat ik eigenlijk niemand in mijn omgeving ken die ook maar enige belangstelling voor de filosofie van die goeie ouwe Spinoza kan opbrengen. Ik zal het dus helemaal uit mijzelf moeten halen. Mijn volgende project wordt de bestudering van het leven en het werk van meneer Immanuel Kant uit Koningsbergen. Waarschijnlijk wordt dat nog een veel langere lap tekst. Ik vind het prachtig om over al die oude denkers te lezen, ze te doorgronden en er mijn eventuele kritische aantekeningen bij te maken. Je hoeft echt niet de hele wereld af te reizen om spannende avonturen te beleven.

Advertenties

6 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Benedictus Spinoza. Gelovige of ketter?

Spinoza. 2015 Tractatus Theologico - Politicus. 2015 Spinozahuisje Rijnsburg. 2015

 

Spinoza werd op 24 november 1632 geboren te Amsterdam op de Vloonburg (de huidige Zwanenburgwal. Vlak bij de plek aan de Amstel waar nu de Stopera is).

Zijn vader was Michael d’ Espinoza (alias: Gabriel Alvares). Hij trouwde drie maal. Zijn eerste echtgenote was Rachel d’Espinoza, dochter van zijn oom Abraham Jesserun d’Espinoza uit Nantes. Zij schonk Michael twee kinderen, Isaac en Rebecca. In 1627 overleed zij. Vervolgens trouwde hij met Hanna Deborah, die hem drie kinderen schonk t.w. Miriam, Baruch, Gabriel. Zij overleed in 1638 aan tuberculose toen Baruch 6 jaar oud was. De derde echtgenote was Ester dÉspinoza die kinderloos bleef en in 1653 overleed.

De familie d’ Espinoza was afkomstig uit Portugal. Het waren joden die door het katholieke bewind waren verjaagd (Maranos) uit Spanje en Portugal. Zij kwamen uiteindelijk via Nantes en Antwerpen in Amsterdam terecht waar zij een hechte gemeenschap vormde inclusief de joodse gebruiken.

Spinoza bezocht de normale joodse scholen (“Ets Haim”, Boom des Levens). Zijn familie genoot aanzien binnen de joodse gemeenschap en was donateur van de joodse school waar Spinoza op zat. Spinoza bleek een uitzonderlijk begaafde leerling. Toen zijn oudere halfbroer Isaac overleed moest hij van zijn vader Michael in het familiebedrijf komen werken. Zij handelden, via hun bedrijf in Nantes, in mediterrane producten. Door dit werk was Spinoza niet in staat om zich optimaal aan zijn studie te wijden. Desondanks slaagde hij erin om allerlei controversiële gedachten en ideeën te ontwikkelen en te uiten die hem uiteindelijk ernstig in conflict brachten met de orthodoxe joodse gemeenschap waartoe hij behoorde.

Hij bestudeerde, als autodidact, de Tora, de Bijbel en de bekende joodse filosofen (Maimonides, de joodse evenknie van de Arabische Averroës). Hij leerde latijn en maakte zo kennis met de middeleeuwse scholastiek (Abelard, Thomas van Aquino, Albertus Magnus etc.), met de Griekse filosofen (Socrates via Plato, Aristoteles, Plotinos etc) en tenslotte met de nieuwe filosofie van de Renaissance, vooral Giordano Bruno en Rene Descartes. Met name Giordano Bruno wond er in zijn tijd geen doekjes om. Hij vertolkte zo ongeveer dezelfde metafysica als Spinoza. Er kan geen sprake zijn van een buiten het “AL” bestaande God die dus als buitenstaander het geheel zou besturen. Nee, zei meneer Bruno, er is slechts “Het Zijnde”, het universum, dat wil zeggen ons eigen ruimtetijdcontinuüm, dat gelijk te stellen is aan God.

Vanwege zijn godslasterlijke en blasfemische beweringen werd Spinoza voor de Parnassim (bestuurders van een Sefardische gemeente) gedaagd en hem werd verzocht zijn leven te beteren en zijn ideeën af te zweren. Dit weigerde Spinoza, waarop hij door de Parnassim werd geëxcommuniceerd, verbannen, vervloekt, kortom met pek en veren overdekt verjaagd uit de joodse gemeenschap. Contact met hem werd strafbaar. Hij werd als het ware uitgewist door de joodse gemeente. Het originele exemplaar van de oorspronkelijke akte van zijn excommunicatie bestaat nog en daar kan men met eigen ogen lezen waar men Spinoza van beschuldigde en hoe men hem voor deze ‘misdaad’ meende te moeten straffen. (Zelf denk ik dat er wellicht nog iets anders speelde dan alleen de blasfemie. Misschien was Spinoza wel homoseksueel en reageerde men daarom zo buitenproportioneel). Baruch Spinoza werd nu Benedictus Spinoza!

Hij werd in ieder geval uit de joodse gemeente verstoten, verbannen, vervloekt en verdoemd met alle vloeken die in het boek der Wet staan opgetekend. Toen dit gebeurde was Spinoza 24 jaar oud en kwam hij dus volstrekt alleen te staan. Hij wanhoopte echter niet en hij wierp zich des te fanatieker op zijn wetenschappelijke werk. In zijn onderhoud voorzag hij door het slijpen van lenzen. Hij leefde relatief teruggetrokken. Verhuisde wel vaak en woonde in Rijnsburg, Voorburg en Den Haag. Langzamerhand werd hij in de wetenschappelijke wereld een beroemd personage. Hij correspondeerde met de meest befaamde wetenschappers van zijn tijd in Europa. (Descartes, Leibniz, Henry van Oldenburg etc.).

Op 21 februari 1677 stierf Spinoza, net als zijn moeder Hanna Deborah, op 44 jarige leeftijd aan tuberculose.

Zijn werk:

Het enige werk van Spinoza dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd is de “Tractatus Theologico – Politicus” Het verscheen in 1670. Globale inhoud: De bijbel werd niet aan enkelen, maar aan de gehele mensheid geopenbaard. De inhoud van dit boek werd middels gelijkenissen, parabels, wonderen etc aan de mensheid kenbaar gemaakt. Dus geen middels de rede, maar op geleide van wonderen, voorbeelden en allerlei irrationele flauwekul. Maar waar wonderen en alles wat dies meer zij de massa vermocht te betoveren, ziet de ‘wijze’ (de met redelijk inzicht begiftigde) Gods macht het meest aanwezig in de grote onveranderlijke natuurwetten. De massa gelooft daarentegen dat God zich openbaart als hij het rationele, gewone natuurverloop verbreekt door middel van wonderen.

Spinoza concludeert dan ook min of meer dat er een geloof is voor de eenvoudigen van geest en een ander, rationeel verhevener, geloof voor de wijzen.

Ook concludeert Spinoza dat Jezus niet Gods zoon is, maar wel de grootste en edelste aller mensen. Hij pleit hartstochtelijk voor de verwijdering van alle starre dogma’s die het geloof aankleven en die, zoals de praktijk steeds weer laat zien, alleen maar leiden tot tweedracht en onverdraagzaamheid. Hiermede is Spinoza zijn tijd ver vooruit en hebben zijn woorden, zeker in deze tijd, nog niets van hun zeggingskracht verloren. Het ware wellicht een goede zaak om op de Islamitische scholen de woorden van Spinoza ook eens te laten klinken.

Het standaardwerk van Spinoza is echter de “Ethica” dat pas na zijn dood werd gepubliceerd in 1677. Het is een ontoegankelijk werk, meetkundig van opzet. Het volgt als zodanig de Euclidische methode, gaat dus uit van mathematische begrippen als axioma’s en werkt met stellingen, bewijzen en conclusies. Er is geen enkel overbodig taalgebruik. Voor een beginner in de filosofie is het een echte afrader. Eigenlijk net zoals het mystieke werk van die rare Heidegger een afrader is.

De inhoud van de “Ethica” is samengeperst op twee honderd bladzijden. Bladzijden die wel tien keer gelezen moeten worden om echt tot de gedachten van Spinoza door te kunnen dringen.

In de “Ethica” gaat Spinoza uit van het begrip: SUBSTANTIE = het ene of oneindige dat onder en achter alle dingen is en alle “ZIJN” bevat en in zich verenigt (voor de goede orde: Substantie is in de metafysica synoniem voor het ding. In de filosofie, en met name in de ontologie, verwijst het naar wat permanent is in de dingen die veranderen. De interpretaties van wat substantie is variëren al naargelang het ingenomen standpunt: zij die stellen dat er slechts één substantie is (de monisten) en zij die het bestaan van twee of meerdere substanties aannemen (de standpunten van respectievelijk de dualistische filosofie en de pluralistische filosofie). Het is eeuwig, oneindig en volstrekt vanuit zichzelf bestaand. Spinoza stelt ‘substantie’ gelijk aan God of natuur. Tegenover het begrip substantie bestaat vlgs Spinoza het begrip ‘MODUS” Dat is alles wat niet uit zichzelf vrij en tegelijk noodzakelijk bestaat, dus in feite alles wat zijn voorwaarde voor zijn bestaan heeft in iets anders. De oneindige substantie heeft twee eigenschappen (Spinoza noemt het attributen), althans de mens kent er slechts twee, namelijk: UITGEBREIDHEID en DENKEN. God is dus oneindige uitgebreidheid en oneindig denken. Denken en uitgebreidheid zijn derhalve aspecten van één substantie. En hier komt Spinoza dus in aanvaring met de opvatting van Descartes die namelijk uitgaat van twee substanties: lichaam en ziel. (Cogito ergo sum).

Spinoza constateert dat elk wezen er naar streeft om in zijn bestaan te volharden. En wordt de drang tot zelfhandhaving bevredigd dan ontstaat er vreugde, maar wordt deze drang afgeremd dan onstaat er droefheid. Dit alles voltrekt zich als een natuurlijke noodzaak en met een ijzeren consequentie. Zo kan men een theoretisch model maken inzake de hoedanigheid van de mens in zijn algemeenheid. Hoe zit de mens in elkaar? In het derde deel van de Ethica verricht Spinoza dit onderzoek. Zijn aldus verkregen inzichten vinden nog steeds hun bevestiging in de moderne theoretische en klinische psychologie.

De metafysica (Metafysica is de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke waarneming (fysica), maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert. Als zodanig beschouwd is metafysica ook de grondslag van de wetenschappen omdat die uitgaan van een zekere aanname over de aard van de werkelijkheid. Oorspronkelijk betekende de term Wat na de natuur (fysica) komt, gebaseerd op werken van Aristoteles die volgden op zijn ‘Fysica’) van Spinoza is deterministisch. Het begrip ‘substantie’ (ding) is een holistisch begrip. De werkelijkheid doet zich via de werking van de tijd aan ons brein voor als een dynamisch lineair verlopend proces. In feite is de werkelijkheid vlgs Spinoza een vaststaande en causale holistische entiteit. Wellicht, maar dat denk ik zelf dan weer, ligt deze entiteit ingebed in een, wat wij nu noemen, singulariteit (een ongewoonheid, iets waar de natuurwetten niet meer geldig zijn of niet meer toegepast kunnen worden) en is de God van Spinoza gelijk te stellen aan substantie + singulariteit. Het klinkt een beetje vreemd, maar beter kan ik het op dit moment niet verwoorden!

We kunnen teruggaan naar de Griekse pre-socratici in de persoon van Parmenides die al een uiterst interessante ontologie ontwikkelde daar waar het gaat om een deterministische metafysica namelijk zijn overtuiging dat er geen verandering is, geen worden. Hij is derhalve voor latere tijden belangrijk, niet vanwege de hiervoor genoemde onmogelijkheid van verandering, maar wel vanwege de idee dat de substantie eeuwig en onveranderlijk is; het ding (substantie dus) is datgene wat hetzelfde blijft onder wisselende omstandigheden.

Spinoza, en dat zal geen verwondering wekken gezien bovenstaande, ontkent de vrije wil van de mens. Naar zijn mening kan er ook geen sprake zijn van goed en kwaad. Iedereen noemt ‘goed’ wat zijn zelfhandhaving bevordert en ‘kwaad ‘ wat haar belemmert. Hier komt Spinoza heel erg dicht bij de opvattingen van de moderne evolutie-biologie.

Deugd” zegt Spinoza, is niets anders dan het volharden in ’s mensen vermogen zich te handhaven. Hier komt dan het begrip welbegrepen eigenbelang om de hoek kijken. Geheel krachtens eigen deugd handelen is eigenlijk niets anders dan handelen krachtens de wetten van onze eigen aard. Belangrijk hierbij is dan te beseffen dat de mens krachtens zijn natuur, zijn aard, een redelijk wezen is (?????). Net zoals Socrates deed, koppelt Spinoza hier deugd aan de verkrijging van het juiste inzicht. Dat betekent dat handelen volgens de rede, de ratio goed is. De mens handelt dus volgens zijn natuur als hij vanuit het streven naar eigen voordeel handelt op geleide van de rede. Inderdaad, het welbegrepen eigenbelang!!! Maar er zijn verlokkingen, er zijn zaken die van de rede afleiden. Er zijn hartstochten, driften en instincten. Spinoza stelt dienaangaande: een aandoening, sic, (hartstocht, instinct, of drift) kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere, tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet worden. Wat kan de rede doen als zij zich gesteld ziet tegenover al die driften en hartstochten. Noot: we komen hier langzamerhand op het terrein van het stoïcisme!

Spinoza stelt vast dat elke drift of elke hartstocht altijd weer streeft naar volledige bevrediging. Elke lust wil volledig bevredigd worden zonder inachtneming van andere hartstochten en zonder rekening te houden met het welzijn van de hele persoon. De rede leert ons daarom tegengestelde driften te coördineren en dienstbaar te maken aan de hele harmonische persoonlijkheid.

Maar ook de rede zelf kan tot hartstocht worden en als zodanig functioneren. De rede kan dan deze aandoening overwinnen door zelf aandoening te worden. Er is dan sprake van een ultiem, via de rede verworven inzicht, dat zich manifesteert in hartstocht, in passie voor de onwrikbare rationele evidentie van de ‘Goddelijke’ rede. Het niet door externe stoorzenders, externe stimuli dus, belemmerde inzicht in de ratio van de natuur/God (substantie) schenkt ons dienaangaande, zoals Spinoza het noemt, adequate ideeën.

Driften, hartstochten en ook de zintuiglijke waarneming belemmeren de mens vaak bij het verwerven van adequate ideeën. Alleen de rede in haar hoogste vorm, die Spinoza ‘onmiddellijke aanschouwing’ noemt, verschaft ons adequate ideeën. Zij geeft geen verwarde kennis over de dingen als afzonderlijke grootheden, maar ziet alles in zijn noodzakelijke en eeuwige samenhang.

Zoals we kunnen constateren is Spinoza echt een loot aan de boom van het rationalisme. Hij heeft niet veel op met de zintuigen en de instincten. Hij wantrouwt ze. Spinoza is, zoals reeds gezegd, van mening dat slechts de rede echt betrouwbare kennis kan schenken. En hoever staat Spinoza hier niet af van de empiristen en alle daaruit voortvloeiende opvattingen over de methoden om de wetenschappelijke waarheid te zoeken. Het empirisme dat eenduidig de nadruk legt op het primaat van de zintuiglijke waarneming. Spinoza echter twijfelt niet aan het verstand en zijn vermogen om heldere kennis en onvoorwaardelijke zekerheid te bieden.

Wat we met de rede als absoluut waar hebben aangemerkt, aanvaarden we ook. Adequate ideeën worden aanvaard. De mens komt door inzicht in de rede van het noodzakelijke tot juiste zelf-bepaling en tot echte vrijheid. Het is de enige ware vrijheid die hij kan bereiken. Met het toenemen van voornoemd inzicht groeit volgens Spinoza ook de liefde tot God en het zich voegen naar zijn wil. Zo ontstaat de geestelijke liefde tot God/de natuur (amor dei intellectualis). Tegelijk is deze liefde natuurlijk ook een ‘amor fati’, een liefde tot het onveranderlijke lot (determinisme), zoals Nietsche twee eeuwen later verkondigde. Geluk is geen beloning van de deugd. De deugd zelf is het geluk.

Politieke opvattingen

Spinoza had zeer zeker ook politieke opvattingen. Bij deze opvattingen speelt altijd de geestelijke vrijheid een hoofdrol. Het gaat om het primaat van de vrije meningsuiting en de vrijheid van denken in het algemeen.

Het recht van de staat zal altijd even ver reiken als zijn macht. En tot de macht van de staat behoort alles wat hij kan afdwingen. Er zijn echter dingen die je niet kunt afdwingen, te weten godsdienstige en wetenschappelijke overtuigingen.”Niets verdragen mensen van nature moeilijker dan dat meningen die zij voor waar houden als misdadig worden beschouwd”.

De invloed van Spinoza op het denken was behoorlijk groot. Aanvankelijk duurde het even voordat die invloed gestalte kon krijgen. Hij was aanvankelijk een eenling. De joodse gemeenschap had hem radicaal verstoten en de katholieke kerk zette zijn geschriften op de index van verboden boeken. En in Duitsland overvleugelde het gedachtegoed van Leibniz (de leer der monaden) voorlopig de filosofie van Spinoza.

Maar uiteindelijk kreeg Spinoza steeds meer volgers. En won zijn filosofie steeds meer aan invloed. In Duitsland b.v. Lessing, Herder en Goethe. Maar later ook Schopenhauer, Nietsche, en Henry Bergson.

Kritiek: Spinoza nam als gegeven aan dat ‘inzien/inzicht’ en ‘aanvaarden/aanvaarding’ met elkaar samenvallen. Hij kon zich daarom nauwelijks voorstellen dat iemand iets onontkoombaar zou inzien met zijn verstand en het dan toch niet zou erkennen of aanvaarden. Spinoza ging mijns inziens ten onrechte uit van de ‘redelijke mens’, van de prevalentie en suprematie van de rede.

Een ander punt dat ik niet in zijn voordeel vind spreken is het feit dat hij het niet wenselijk achtte om het menselijk egoïsme te overwinnen. Het kwam hem als volkomen absurd voor dat iemand zich zou opofferen voor een ander. Hierin verschilt hij met zijn opvattingen sterk van de kern van het Christendom.

Met betrekking tot het ontbreken van de sociale component in de filosofie van Spinoza zal ik, na verdere studie, nog nader berichten.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized