Maandelijks archief: februari 2015

Gouden Bollen.

De toekomst.

De toekomst.

 

 

Het hoog jankende gegil gaat door merg en been. En zo gaat het al minstens een paar uur. Een hoog snerpend geschreeuw, gekrijs eigenlijk. Ik weet wat er aan de hand is, maar probeer de onvoorstelbare horreur die daar buiten rondwaart toch zo veel mogelijk emotioneel buiten de deur te houden. Desondanks gaat het gegil en gekerm mij door merg en been.

Wij zitten vast in de kelder onder een boerderij die boven ons is ingestort. In de stal, achter de boerderij, staan paarden waarvan er een een granaatscherf in zijn buik heeft gekregen. Zijn darmen hangen eruit en slepen als een rode vlag over de grond. Het moet een ziedende pijn veroorzaken. Vandaar dat gegil. Een paard kan blijkbaar ook gillen. Een van de baby’s begint zacht jammerend te huilen. Het heeft honger. Er is niets meer te eten. We zitten hier al vier dagen. Toen de vijandelijkheden uitbraken zijn we onmiddellijk naar beneden gegaan. Wij waren niet voorbereid. Het kwam plotseling. Vier families in een keldergewelf van 5 bij 6 meter. Geen voedsel. Geen sanitaire voorzieningen. Twaalf kinderen, waaronder drie baby’s. Hoe kan God zo wreed zijn. Vijf mensen zijn de eerste dag gewond geraakt en liggen voortdurend te kermen. Geen medicijnen. Geen verbandmiddelen. En geen medische deskundigheid.

Ik ben even naar boven gekropen, de trap op naar het kelderraam waar geen glas meer in zit en dat nu voor de helft geblokkeerd wordt door puin en zwarte aarde. De lucht is inktzwart. Het ruikt naar rook en verbrand vlees. Beneden doe ik verslag.

Geen vluchtmogelijkheid. Geen manier om er achter te komen wat er aan de hand is.

Tussen al het gekerm , gehuil en gegil is steeds een constant dof brommen aanwezig. Het vibreren van de bedorven kelderlucht ; trillingen die zo onderhuids kruipen dat zij bijna niet bemerkt worden. Ik zit met mijn rug tegen de muur. Verleg mijn benen en sla daarbij met mijn hakken op de vloer. Het klinkt hol. Er moet zich iets onder de keldervloer bevinden. Ik wrijf met mijn handen het stof en puin weg waardoor in de aarden vloer de omtrek van een soort luik zichtbaar wordt. Het luik valt weg naar beneden, lost eigenlijk op in het niets en een stralend zonlicht begint door de opening te schijnen. Ik steek mijn hoofd door het gat en zie op ongeveer anderhalve meter onder mij wuivend goudkleurig gras. Een onbestemde geur verdrijft de smerige lucht van de kelder. Ondersteboven hangend zie ik uit over een onmetelijke goudkleurige grasvlakte, hier en daar onderbroken door zwarte pilaren die een enorme omvang moeten hebben. Mijn uitzicht wordt belemmerd door mijn ongemakkelijke houding. Ik laat mij door de opening naar beneden zakken en beland op het zachte dek van het gouden gras. Nu kan ik verder kijken en wat ik zie beneemt mij de adem. Een goudgele vlakte, licht golvend en hier en daar onderbroken door gigantische zwarte pilaren waarop reusachtige, ook weer goudkleurige, bollen rusten. De pilaren hebben, schat ik, een omvang van meer dan een kilometer en torenen kilometers hoog de lucht in. Een lucht die zo helder is dat je elk detail van grote afstand kunt waarnemen. De gouden bollen moeten een middellijn hebben van drie a vier kilometer en tekenen zich af tegen een hemel die lichtblauw van kleur is. In die hemel staan twee goudkleurige zonnen naast elkaar, die deze droomwereld van een diep geel, sepia-achtig licht voorzien. Het diepe brommen en vibreren blijkt de grondtoon te zijn van een vervreemdende ijle atonale muziek. Teder, maar toch ook een beetje dreigend.

In de gouden bollen zitten op regelmatige afstand van elkaar ronde uitsparingen van waaruit een smaragdgroen licht zwak pulseert. Boven mijn nog op de grond liggende lichaam zie ik een donker vierkant in de lucht hangen. Er kijken bleke angstige gezichten naar beneden. Ik wenk. Een voor een laten ze zich uit het donkere vierkant naar de gouden grond zakken. Op het moment dat ze door de poort komen verdwijnen hun kleren. Ze liggen naakt op het gulden gras. Hun wonden zijn verdwenen. Ze vertonen geen geslachtskenmerken meer. Ook ik ben naakt en zonder geslachtskenmerken. Uit de smaragdgroene holten in de gouden bal komen doorzichtige wezens aangevlogen. Zij raken ons aan en wij verliezen onze materiële hoedanigheid. Wij worden opnieuw geordend in een metafysisch kader en overzien het eeuwige moment der schepping met ontzag en vanzelfsprekendheid.

De rest is eeuwige vrede

Advertenties

8 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Er bestaan veel misverstanden rond de functie van BANKIER. Subtitel: ‘Ode aan de Bankier’.

Bankier met zijn vrouw.

Bankier met zijn vrouw.

Hoe vibreert mijn zelf gecreëerde  leefomgeving niet op het ritme van mijn uitzonderlijke psychische en fysieke perfectie, maar bovenal ook op de stuwende kracht van mijn juveniele vitaliteit. Hoe siddert mijn creatieve en originele hartstocht niet van ongebreidelde en synergetische daadkracht. Daadkracht die wortelt in de excellentie van mijn geniale, schier sacrale hoedanigheid en die zich noodwendig op grootse wijze manifesteert in dit prachtige en atletisch gebouwde corpus. Alles in mij is er op gebrand mijn evidente superioriteit steeds opnieuw te bewijzen. De onontkoombaarheid van mijn uitmuntendheid wordt keer op keer weer bevestigd als ik smekelingen en onsympathieke zwakkeren gelijk schurftige en primitieve honden van mij aftrap. Ik ben God. Ik ben het alfa en het omega. Er is niets dat mij kan deren. Alle hulde aan mij bewezen is volkomen terecht en vanzelfsprekend. Gebrek aan de mij verschuldigde eerbied wordt door mij hoogstpersoonlijk gestraft met ultieme vernedering en algehele economische vernietiging. Dergelijke ondankbare, schier blasfemische en volstrekt respectloze non-valeurs zijn het eigenlijk niet waard om te leven. Zij zullen door mij van het aangezicht der aarde verwijderd worden. Ja, mensen, u heeft het waarschijnlijk al geraden, ik ben een bankier!!!

En zie, in het donker flonkert om mijn hoofd een imponerende stralenkrans van heiligheid en perfectie. Mijn welgevormde, als uit kostbaar marmer gebeeldhouwde, voet rust op de afgebeulde ruggen der loonslaven en banale middelmatigen, voor wie mijn monetaire woord hun enige wet is.

Ik ben bankier. Ik ben onaantastbaar en schep mijn eigen wereld. Sidder, huiver en bewonder. Dat is alles wat ik van u eis. Bij uw ‘in gebreke blijven’ zal mijn wraak vreselijk zijn, zult u de diepste en donkerste krochten der anonimiteit en onbetekenendheid moeten ervaren en zult u, op geleide van mijn goddelijk gestuurde hand, moeten lijden als een konijn in de strik van een stroper.

Mijn uitzonderlijke excellentie is onweersproken. Mijn genie wekt alom bewondering en waardering. Als het mij pleziert of zo uitkomt werp ik u in de grondeloze diepte van de opperste armoede en degradeer ik u tot willoos slachtoffer van uw eigen hebzucht. U zult wenen en klagen. U zult alle duivels uit de hel vloeken. Maar u zult mij niet kunnen deren, omdat ik de Onaanraakbare ben. Ik ben het begin en het einde. Ik ben het leven en ik beslis over de dood. Ik ben een bankier.

Begrijpt u dat? U bent voor mij niets meer dan een nietige aardworm dewelke met een nonchalante en terloopse beweging van mijn voet tot stof kan worden vertrapt.

En ziet, dan is daar plots onze Joris, eigenlijk kan ik, als door God verkozen bankier, wel zeggen: ‘mijn eigen Joris’. Mijn eigen beeldschermridder die met zijn scherp geslepen tweesnijdend pennenzwaard de draak der vooroordelen te lijf gaat!!!! Hij zegt dat het allemaal best wel meevalt met die ‘monsters’ die zich schuil houden in de ingewanden van zakenbanken. De ‘monsters’ zijn niet de bankiers, maar vooral de financiële darmpoliepen, ook wel quanten geheten, die derivaten in de vorm van gebakken darmgassen produceren die, via de anus (de anus is hier dus de gemetamorfoseerde bankier), het doodzieke financiële lichaam verlaten om hun heilloze en vernietigende werk te doen. Deze pathologische flatulentie, als noodlottige voortbrenger van giftige gebakken darmdampen, veroorzaakt wereldwijd een penetrante stank die het algemene geluksgevoel van de mondiale bevolking sterk vermindert. Maar het algeheel disfunctioneren van dit totale metabolische proces kan natuurlijk niet exclusief aan de anus worden toegerekend, daar deze sterke sluitspier in feite niets anders doet dan het ordelijk faciliteren van de afgifte van allerhande stinkende afvalproducten. Het gaat derhalve niet aan om de anus i.c. de bankier voor het totaal van het disfunctionerende proces verantwoordelijk te houden. Joris verzoekt daarom buitenstaanders met gevoelige reukorganen hun vooroordelen overboord te gooien, de schellen van de ogen te nemen en de anus, de bankier dus, te zien voor wat hij werkelijk is, namelijk een banale, onwelriekende, faciliterende opening van een doodziek financieel lichaam.

Soms echter gaat Joris, en ik praat hier in mijn onaantastbare functie als bankier, veel te ver in zijn verklarende verkenning van de bankierswereld.

Bankiers zouden, net als andere mensen, sterfelijk zijn. Sterfelijk? Ik? Kom nou, gelooft u nou werkelijk dat de drager van een dergelijke stralende excellentie en van zulk een bovenmenselijke en buitensporige uitmuntendheid, sterfelijk kan zijn. Ik ben de “Master of the Universe”. Dat weet toch iedereen!! Als ik sterf, sterft het universum. Alsjeblieft zeg, Joris, blijf eens even met je beide benen op de grond!

Bovendien zouden wij, bankiers, kunnen lachen en huilen, net als andere mensen. Ik zou dus in staat moeten zijn om te lachen en te huilen, beweert Joris. Wel, dat moge misschien zo zijn, maar dan toch zeker niet ‘net als andere mensen’. Zo ik al zou willen lachen of huilen dan doe ik dat uitsluitend op mijn geheel eigen excellente en uitmuntende wijze, want, zo valt zonder veel overdrijving te stellen, als ik lach dan lacht het ganse universum en als ik huil dan huilt de hele wereld!

Tevens zou ik, volgens die dekselse Joris, en dat is misschien nog wel de kwalijkste bewering, ook ongeveinsd aardig en vriendelijk kunnen zijn. Ja, het woord ‘joviaal’ is in dat verband zelfs gevallen. Wat een ultieme belediging!! Immers, elke bankier weet tegenwoordig zo langzamerhand wel dat welgemeende onvervalste vriendelijkheid en oprechte authentieke empathie duidelijke aanwijzingen zijn voor een alles ondermijnende karakterzwakte. Ik ben natuurlijk wel een god, mensen! En dat gegeven wordt door Joris in mijn ogen toch nog te weinig benadrukt. Door zijn woorden zou men zomaar de indruk kunnen krijgen dat ik een doodgewoon mens ben.

Nota bene (voor de alle zekerheid, want je weet maar nooit met de huidige bloggers):

Ironie (uit het Grieks:  geveinsde onwetendheid) is een stijlfiguur waarbij dat wat klaarblijkelijk gezegd wordt, afwijkt van dat wat bedoeld wordt. Zodoende is ironie veelal alleen herkenbaar voor de geoefende of ingewijde verstaander. Om het verschil tussen het gezegde en het bedoelde uit te drukken, kan de ironie gebruikmaken van verschillende andere stijlfiguren, zoals sarcasme en understatement. Met gezichtsuitdrukkingen en intonatie kan de gebruiker van ironie aan de verstaander extra hints geven dat zijn uitspraak niet letterlijk bedoeld is

7 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

´Hallo Muur´van Erik Jan Harmens.

Alcoholverslaving. 2015

Ja, wat moet ik nou toch zeggen over dit boekje. Eerst maar eens het volgende: ik lees tegenwoordig steeds vaker dat adjectieven in de moderne literatuur volstrekt uit de mode zijn. Ze kunnen niet; ze zijn verboden op straffe van vernietigende recensies. ‘Waarom’ wordt er nooit bij verteld, maar van de meeste moderne en hippe recensenten mag het absoluut niet. Ik denk dat ik de reden wel weet. Veel lezers vinden namelijk een zin met twee bijzinnen al gauw een onoverkomelijke en saaie woordenbrij. Zinnen van meer dan tien woorden moeten te allen tijde voorkomen worden, bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden mogen niet of slechts uiterst spaarzaam gebruikt worden en de roman mag zeker niet meer dan 250 bladzijden tellen. Deze opvatting weerspiegelt een moderne gehaaste en zakelijke wereld die niet gebaat is bij overbodige flauwekul en grote lappen tekst. Het gaat om ‘content’ en de vorm van deze content is eigenlijk niet zo relevant. Schrijf zo sober mogelijk op wat je bedoelt. Verspil de tijd van de lezer niet met bloemrijk en ingewikkelde taalgebruik. De lezer heeft wel wat anders te doen. En schrijf wat de lezer graag wil lezen. Het liefst leest de lezer over zichzelf of over mensen die op hem lijken. Het moet een feest van herkenning zijn. Maar het moet ook eenvoudig en eenduidig zijn. En graag, als het even kan, een verhaal over de kommer en kwel van ongelukkige stakkers die getormenteerd en depressief door het leven strompelen, tegen welks het saaie alledaagse bestaan van de lezer zelf dan als een onbezorgd en zonnig leven kan afsteken. Kijk aan, zo slecht heb ik het kennelijk nog niet eens, hoor je de lezer bijna verzuchten. Dat soort boeken verkoopt heel goed. Denk ik. Vermoed ik.

Het zijn, mijns inziens, de losse commerciële flodders van hippe moderne schrijvers als Koch en Kluun of de simpele romans van Giphart die aan de hierboven door mij genoemde criteria voldoen. En dan komt daar dus nu de roman ‘Hallo Muur’ van Erik Jan Harmens bij! Dit soort boeken wordt gekenmerkt door een krampachtige, gemaniëreerde moderniteit, door vrij grote taal-armoede en door inhoudelijke armetierigheid. Maar ja, ze gaan meestal over allerlei hippe en trendy zaken zoals alcoholverslaving, echtscheidingen en extreem nihilisme en worden de hemel ingeprezen door allerlei hippe, zich zo jong mogelijk voordoende, rolmodellen (talkshowhosts, D.J.’s en wat niet al) die onze spannende, moderne, hedonistische samenleving op hun geheel eigen en jeugdige wijze cultureel vorm proberen te geven. Dus we moeten die hippe boeken wel lezen om erbij te blijven horen. En ik trap er dus steeds weer in met mijn domme kop.

Ik vind het taalgebruik van de schrijver van ‘Hallo Muur’ zeer pover. Met de taal wordt naar mijn gevoel eigenlijk helemaal niets gedaan in dit boek. Des te stuitender is de inhoud van dit boek echter. Het beschrijft de verwording van een arbeiderszoon die onder invloed van teveel vrijheid en te midden van een extreem hedonistische ambiance aan zijn zinnelijke lusten bezwijkt en zijn heil vervolgens zoekt in overmatig alcoholgebruik. En die drank maakt vervolgens meer kapot dan hem lief is.

Het betreft hier een egodocument van een bekende Nederlandse dichter. In de roman beluister ik de echo’s van een ongelukkige jeugd, van een aanzwellende leegheid waartoe de zestiger en zeventiger jaren sluipenderwijze de aanzet waren, van evidente karakterzwakte, van een wanhopige vlucht naar de dichtkunst en van de coïncidentie van zijn ontdekking als dichter.

Het boek is eigenlijk alleen maar inhoud. En die inhoud evoceert bepaalde ongezellige keiharde sfeerbeelden. Het is, zoals gezegd, een droevige en sombere inhoud. Zoals zoveel taalkundige niemendalletjes leest het boek, op geleide van mijn onverzadigbare nieuwsgierigheid, heel gemakkelijk weg. Zeer korte hoofdstukken. Kleine simpele zinnen. Ja, mijn nieuwsgierigheid werd geprikkeld. Het is in feite dezelfde soort nieuwsgierigheid als die welke wordt geprikkeld bij het kijken naar allerlei onzinnige, banale reality-soaps. Is het de intelligentie van de schrijver die maakt dat de roman soms meer diepgang lijkt te hebben dan een platte nihilistische litanie van een ‘mislukt’ leven? Het boek werd tot op heden nog niet ontmaskerd als ‘de kleren van de keizer’. Door niemand. Dat heeft met reputatie en commercie te maken. Het boek wordt goed verkocht en dat telt. In deze tijd meer nog dan al het andere.

Een boek over geluk en zelfvertrouwen uit de fles. En…………natuurlijk de persoonlijke overwinning na veel strijd en lijden. Ik heb het al zo vaak gelezen. En dan veel beter!

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

“Tijdmeters”, “The Bone Clocks” David Mitchell.

DSC_2153

De schrijver is dus David Mitchell, die ook “Cloud Atlas” heeft geschreven. “Cloud Atlas” werd prachtig verfilmd en was een groot succes.

Ik heb het boek met veel plezier gelezen. Het is een raadselachtig, magisch boek. Alledaagsheid en fantasie lopen op een natuurlijke wijze door elkaar. David Mitchell is een fantastische schrijver in beide betekenissen van het woord. Zijn hoofdpersonages worden, ondanks hun bizarre achtergronden, op een ambachtelijke en zeer deskundige wijze als levensechte, invoelbare en soms zelfs regelrecht toegankelijke mensen weergegeven. De inhoud, het verhaal van de roman lijkt vanzelfsprekend, maar wordt in werkelijkheid doorspekt met magische gebeurtenissen en raadselachtige figuren. Het geheel is op een bijzonder kundige en artistieke wijze neergezet.

Van dit boek heb ik een ‘project’ gemaakt. Ik heb me eigenlijk louter en alleen willen richten op taalgebruik en op stijl. Dat was niet makkelijk, omdat ik het boek eerst in het Engels heb gelezen. De schrijver neemt ons mee naar diverse ‘subculturen’ elk met hun eigen taalgebruik. Vooral het taalgebruik binnen de Engelse studentenwereld in de vorm van een eigen specifiek ‘jargon’ was voor mij soms moeilijk te doorgronden. Ik heb veel gebruik moeten maken van het woordenboek, maar dat bood lang niet altijd uitkomst omdat het woordgebruik daarvoor vaak veel te specifiek was. Over de inhoud van het verhaal zal ik natuurlijk niets verklappen.

Ik ben een groot liefhebber van de semantiek en let er daarom altijd op of een schrijver wel de juiste betekenis van een woord hanteert. Ook de stijl, de formulering van de zinnen vind ik van het grootste belang. De taal moet, in mijn ogen, goed en creatief gebruikt worden met gedoseerd gebruik van metafoor, beeldspraak, pleonasme, paradox, eufemisme, hyperbool, synesthesie, en wat men allemaal nog meer kan gebruiken om het taalgebruik te verfraaien.

Ik overdrijf denk ik niet als ik stel dat ik de taal, formulering en zinsconstructie veel belangrijker vind dan de daadwerkelijke inhoud van een boek. Voor mij dient het taalgebruik verrassend en artistiek te zijn, het moet getuigen van ambachtelijkheid; literatuur dient kunst te zijn en niet primair een utilitaire winstgevende bezigheid. En, hoe pedant het misschien ook klinkt, ik bepaal uiteraard helemaal zelf wat ik dienaangaande mooi en interessant vind. Ik kan bij beoordeling van kunst niet varen op de smaak van een ander. Wel kan ik ‘leren’ van de kennis die een ander inzake de kunst heeft verzameld. Een kennis die vaak nodig is om een artistiek product op zijn werkelijke esthetische merites te kunnen beoordelen. Maar om maar weer eens een stokoud en tot op het bot afgekloven cliché te gebruiken: “Over smaak valt niet te twisten”. En wat dat betreft betreur ik het dan ook zeer dat de alom aanwezige commerciële machten vaak een voor hen profijtelijke smaak of voorkeur opdringen door middel van geraffineerde marketing in de geniepig verborgen vorm van, in verlokking en verleiding verpakte, psychische dwang. Een psychische dwang in de vorm van een soort commerciële hersenspoeling die een lifestyle oplegt die wel heel erg ver afstaat van publiek belang dienende intenties ( intenties zoals bijvoorbeeld de bevordering van individuele authenticiteit en daaraan gerelateerde eigen smaak van consumenten). Het hele proces van list en bedrog heeft daarentegen alles te maken met de, soms schier pathologische, drang waarmede een bepaalde materialistisch ingestelde economische elite vaak rücksichtslos streeft naar het vergaren van geld, macht en verhoging van de eigen sociale status. Maar, tot zover, deze terzijde!! Ik liet me weer even meeslepen door mijn verontwaardiging!

Kortom, bij het lezen van een roman prevaleert bij mij altijd de esthetiek van het taalgebruik en niet de inhoud. De inhoud van een boek kan nog zo boeiend zijn, maar als het taalgebruik het door de grijze massa zo uitbundig geprezen jip-en-jannekeniveau niet ontstijgt, dan leg ik het boek al heel snel weer terzijde. Er zijn namelijk grenzen aan wat ik dienaangaande kan verdragen.

The Bone Clocks” heb ik, gezien bovenstaande, ook in Nederlandse vertaling gelezen en dan heet het dus “Tijdmeters”. De vertalers Harm Damsma en Niek Miedema hebben een prachtig stukje werk afgeleverd. Want zo’n boek vertalen is om den drommel niet eenvoudig. Zij geven er blijk van het Engels en het Nederlands tot in de perfectie te beheersen. Als er een prijs is voor vertalers, en die zal er ongetwijfeld zijn, dan verdient dit tweetal deze prijs te krijgen.

Ik vind het boek prachtig geschreven en vertaald. Het is verrassend omdat we een reis maken door de tijd tot in de relatief verre toekomst (2043!). Op deze reis vergezellen wij een diversiteit aan hoofdpersonages die allen een sleutelrol in het verhaal vertolken.

De moraliteit van het boek is vrij hoog. Het gaat om goed tegen kwaad. De chronometristen belichamen het ‘Goede’ en de Anachoreten vertegenwoordigen het ‘Kwade’. Het perspectief wisselt dus veelvuldig. Soms is de Ik-figuur een chronometrist, één keer is het een Anachoreet, en een paar keer is de Ik-figuur een neutraal sleutelpersonage, waarvan de eerste (1984: Hittegolf) en de laatste keer (2043: Sheep’s head) het echte hoofdpersonage t.w. Holly Sykes.

Het verhaal van het boek zit, ondanks de wonderen der magie en de bovenzinnelijke gebeurtenissen, logisch in elkaar. Het verhaal zoekt als het ware zijn eigen weg en lijkt wel op een betoverende wijze organisch opgebouwd te worden. Dingen lijken doodgewoon, maar zijn het dus niet. Wonderen ingebed in het leven van alledag. Wat wil je nog meer? Het boek raakt mij in zoverre dat ik het qua taalgebruik prachtig vind en ik het om die reden alleen al tot een van de beste boeken reken die ik de laatste tijd heb gelezen. Maar ook het verhaal is zeer de moeite waard.

Het laatste hoofdstuk van het boek – 2043 Sheep’s Head – is bijzonder beklemmend door zijn uitermate realistische beschrijving van een mogelijke zeer sombere toekomst. Het is helemaal niet moeilijk om je een dergelijke afschuwelijke toekomst voor te stellen, gegeven de arrogante en egoïstische nonchalance waarmede de huidige mensheid de dreigende gevaren van onze nabije toekomst negeert of bagatelliseert.

Een echte boodschap kan ik niet ontdekken, mogelijk geeft het boek wel een waarschuwing af om op een verantwoorde en liefdevolle wijze met onze kwetsbare planeet om te gaan.

Nogmaals, de stijl en de formulering van het totale verhaal zijn heel erg goed. Alleen al daarom zou dit boek gelezen moeten worden.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Halbe Zijlstra in Buitenhof: Griekenland kan naar de donder gaan, als ze ons maar terug betalen.

Anarchisme 2014

 

Buitenhof met Halbe Zijlstra. Hoe komt het toch dat ik deze man zo’n stijle lichtgewicht vind? Hij werd aan de tand gevoeld door Marcia Luyten, een econome, die er moeite mee heeft om, ook als dat echt nodig is, de economie buiten het gesprek te houden. Begrijpelijk natuurlijk als je van economie houdt.  Halbe Zijlstra (Ik noem hem, heel flauw, altijd: Halve Zoolstra) verwoordt, als archetype van een VVD’er, de droge keiharde opvatting (visie kan ik het niet noemen, want een visie pleegt verder te reiken dan de waan van de dag) van de VVD dat begrip voor netelige situaties van anderen uit den boze is, vooral als dat medeleven geld gaat kosten. En met Griekenland gaat “begrip” ons geld kosten. Kennelijk. Volgens de hebzuchtige rijken van onze samenleving. Een empathische zienswijze  die niet direct tot eigen voordeel strekt wordt genadeloos neergesabeld als  onrealistisch en onrechtvaardig. Terugbetalen zullen ze! Die luie, verspillende en krekelachtige Grieken!! En dat één op de drie Grieken onder de armoedegrens leeft, kan de gemiddelde VVD’er geen donder schelen. Net zoals ze het geen donder kan schelen dat onze verzorgingsstaat door hun ijverige toedoen tot op de fundamenten toe wordt afgebroken. Als je niet werkt dan ben je onproductief, als je onproductief bent lever je dus niets op, als je niets oplevert dan kost je alleen maar geld en ben je eigenlijk ook best wel lui, en als je lui bent dan deug je niet, dus is het niet erg om iedereen die niet productief is af te knijpen en op het sociale minimum te zetten, zijnde exact die plaats waar zulke luie donders nou eenmaal thuis horen.

Wij, d.w.z. alle VVD’ers,  willen ons geld terug, want we hebben het al zo moeilijk, of om met Jan de Bouvrie te spreken: Ik moet ook inleveren want ik kan na een jaar niet eens meer een andere nieuwe dure auto kopen en ik kan me al helemaal geen nieuw vakantiehuis permitteren op dit moment.

Bent u het helemaal niet eens met dit stukje dan moet u op de VVD stemmen. Geeft niks, want VVD’ers moeten er natuurlijk ook zijn! Al was het alleen maar om op te mopperen.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Benedictus Spinoza. Gelovige of ketter?

Spinoza. 2015 Tractatus Theologico - Politicus. 2015 Spinozahuisje Rijnsburg. 2015

 

Spinoza werd op 24 november 1632 geboren te Amsterdam op de Vloonburg (de huidige Zwanenburgwal. Vlak bij de plek aan de Amstel waar nu de Stopera is).

Zijn vader was Michael d’ Espinoza (alias: Gabriel Alvares). Hij trouwde drie maal. Zijn eerste echtgenote was Rachel d’Espinoza, dochter van zijn oom Abraham Jesserun d’Espinoza uit Nantes. Zij schonk Michael twee kinderen, Isaac en Rebecca. In 1627 overleed zij. Vervolgens trouwde hij met Hanna Deborah, die hem drie kinderen schonk t.w. Miriam, Baruch, Gabriel. Zij overleed in 1638 aan tuberculose toen Baruch 6 jaar oud was. De derde echtgenote was Ester dÉspinoza die kinderloos bleef en in 1653 overleed.

De familie d’ Espinoza was afkomstig uit Portugal. Het waren joden die door het katholieke bewind waren verjaagd (Maranos) uit Spanje en Portugal. Zij kwamen uiteindelijk via Nantes en Antwerpen in Amsterdam terecht waar zij een hechte gemeenschap vormde inclusief de joodse gebruiken.

Spinoza bezocht de normale joodse scholen (“Ets Haim”, Boom des Levens). Zijn familie genoot aanzien binnen de joodse gemeenschap en was donateur van de joodse school waar Spinoza op zat. Spinoza bleek een uitzonderlijk begaafde leerling. Toen zijn oudere halfbroer Isaac overleed moest hij van zijn vader Michael in het familiebedrijf komen werken. Zij handelden, via hun bedrijf in Nantes, in mediterrane producten. Door dit werk was Spinoza niet in staat om zich optimaal aan zijn studie te wijden. Desondanks slaagde hij erin om allerlei controversiële gedachten en ideeën te ontwikkelen en te uiten die hem uiteindelijk ernstig in conflict brachten met de orthodoxe joodse gemeenschap waartoe hij behoorde.

Hij bestudeerde, als autodidact, de Tora, de Bijbel en de bekende joodse filosofen (Maimonides, de joodse evenknie van de Arabische Averroës). Hij leerde latijn en maakte zo kennis met de middeleeuwse scholastiek (Abelard, Thomas van Aquino, Albertus Magnus etc.), met de Griekse filosofen (Socrates via Plato, Aristoteles, Plotinos etc) en tenslotte met de nieuwe filosofie van de Renaissance, vooral Giordano Bruno en Rene Descartes. Met name Giordano Bruno wond er in zijn tijd geen doekjes om. Hij vertolkte zo ongeveer dezelfde metafysica als Spinoza. Er kan geen sprake zijn van een buiten het “AL” bestaande God die dus als buitenstaander het geheel zou besturen. Nee, zei meneer Bruno, er is slechts “Het Zijnde”, het universum, dat wil zeggen ons eigen ruimtetijdcontinuüm, dat gelijk te stellen is aan God.

Vanwege zijn godslasterlijke en blasfemische beweringen werd Spinoza voor de Parnassim (bestuurders van een Sefardische gemeente) gedaagd en hem werd verzocht zijn leven te beteren en zijn ideeën af te zweren. Dit weigerde Spinoza, waarop hij door de Parnassim werd geëxcommuniceerd, verbannen, vervloekt, kortom met pek en veren overdekt verjaagd uit de joodse gemeenschap. Contact met hem werd strafbaar. Hij werd als het ware uitgewist door de joodse gemeente. Het originele exemplaar van de oorspronkelijke akte van zijn excommunicatie bestaat nog en daar kan men met eigen ogen lezen waar men Spinoza van beschuldigde en hoe men hem voor deze ‘misdaad’ meende te moeten straffen. (Zelf denk ik dat er wellicht nog iets anders speelde dan alleen de blasfemie. Misschien was Spinoza wel homoseksueel en reageerde men daarom zo buitenproportioneel). Baruch Spinoza werd nu Benedictus Spinoza!

Hij werd in ieder geval uit de joodse gemeente verstoten, verbannen, vervloekt en verdoemd met alle vloeken die in het boek der Wet staan opgetekend. Toen dit gebeurde was Spinoza 24 jaar oud en kwam hij dus volstrekt alleen te staan. Hij wanhoopte echter niet en hij wierp zich des te fanatieker op zijn wetenschappelijke werk. In zijn onderhoud voorzag hij door het slijpen van lenzen. Hij leefde relatief teruggetrokken. Verhuisde wel vaak en woonde in Rijnsburg, Voorburg en Den Haag. Langzamerhand werd hij in de wetenschappelijke wereld een beroemd personage. Hij correspondeerde met de meest befaamde wetenschappers van zijn tijd in Europa. (Descartes, Leibniz, Henry van Oldenburg etc.).

Op 21 februari 1677 stierf Spinoza, net als zijn moeder Hanna Deborah, op 44 jarige leeftijd aan tuberculose.

Zijn werk:

Het enige werk van Spinoza dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd is de “Tractatus Theologico – Politicus” Het verscheen in 1670. Globale inhoud: De bijbel werd niet aan enkelen, maar aan de gehele mensheid geopenbaard. De inhoud van dit boek werd middels gelijkenissen, parabels, wonderen etc aan de mensheid kenbaar gemaakt. Dus geen middels de rede, maar op geleide van wonderen, voorbeelden en allerlei irrationele flauwekul. Maar waar wonderen en alles wat dies meer zij de massa vermocht te betoveren, ziet de ‘wijze’ (de met redelijk inzicht begiftigde) Gods macht het meest aanwezig in de grote onveranderlijke natuurwetten. De massa gelooft daarentegen dat God zich openbaart als hij het rationele, gewone natuurverloop verbreekt door middel van wonderen.

Spinoza concludeert dan ook min of meer dat er een geloof is voor de eenvoudigen van geest en een ander, rationeel verhevener, geloof voor de wijzen.

Ook concludeert Spinoza dat Jezus niet Gods zoon is, maar wel de grootste en edelste aller mensen. Hij pleit hartstochtelijk voor de verwijdering van alle starre dogma’s die het geloof aankleven en die, zoals de praktijk steeds weer laat zien, alleen maar leiden tot tweedracht en onverdraagzaamheid. Hiermede is Spinoza zijn tijd ver vooruit en hebben zijn woorden, zeker in deze tijd, nog niets van hun zeggingskracht verloren. Het ware wellicht een goede zaak om op de Islamitische scholen de woorden van Spinoza ook eens te laten klinken.

Het standaardwerk van Spinoza is echter de “Ethica” dat pas na zijn dood werd gepubliceerd in 1677. Het is een ontoegankelijk werk, meetkundig van opzet. Het volgt als zodanig de Euclidische methode, gaat dus uit van mathematische begrippen als axioma’s en werkt met stellingen, bewijzen en conclusies. Er is geen enkel overbodig taalgebruik. Voor een beginner in de filosofie is het een echte afrader. Eigenlijk net zoals het mystieke werk van die rare Heidegger een afrader is.

De inhoud van de “Ethica” is samengeperst op twee honderd bladzijden. Bladzijden die wel tien keer gelezen moeten worden om echt tot de gedachten van Spinoza door te kunnen dringen.

In de “Ethica” gaat Spinoza uit van het begrip: SUBSTANTIE = het ene of oneindige dat onder en achter alle dingen is en alle “ZIJN” bevat en in zich verenigt (voor de goede orde: Substantie is in de metafysica synoniem voor het ding. In de filosofie, en met name in de ontologie, verwijst het naar wat permanent is in de dingen die veranderen. De interpretaties van wat substantie is variëren al naargelang het ingenomen standpunt: zij die stellen dat er slechts één substantie is (de monisten) en zij die het bestaan van twee of meerdere substanties aannemen (de standpunten van respectievelijk de dualistische filosofie en de pluralistische filosofie). Het is eeuwig, oneindig en volstrekt vanuit zichzelf bestaand. Spinoza stelt ‘substantie’ gelijk aan God of natuur. Tegenover het begrip substantie bestaat vlgs Spinoza het begrip ‘MODUS” Dat is alles wat niet uit zichzelf vrij en tegelijk noodzakelijk bestaat, dus in feite alles wat zijn voorwaarde voor zijn bestaan heeft in iets anders. De oneindige substantie heeft twee eigenschappen (Spinoza noemt het attributen), althans de mens kent er slechts twee, namelijk: UITGEBREIDHEID en DENKEN. God is dus oneindige uitgebreidheid en oneindig denken. Denken en uitgebreidheid zijn derhalve aspecten van één substantie. En hier komt Spinoza dus in aanvaring met de opvatting van Descartes die namelijk uitgaat van twee substanties: lichaam en ziel. (Cogito ergo sum).

Spinoza constateert dat elk wezen er naar streeft om in zijn bestaan te volharden. En wordt de drang tot zelfhandhaving bevredigd dan ontstaat er vreugde, maar wordt deze drang afgeremd dan onstaat er droefheid. Dit alles voltrekt zich als een natuurlijke noodzaak en met een ijzeren consequentie. Zo kan men een theoretisch model maken inzake de hoedanigheid van de mens in zijn algemeenheid. Hoe zit de mens in elkaar? In het derde deel van de Ethica verricht Spinoza dit onderzoek. Zijn aldus verkregen inzichten vinden nog steeds hun bevestiging in de moderne theoretische en klinische psychologie.

De metafysica (Metafysica is de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke waarneming (fysica), maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert. Als zodanig beschouwd is metafysica ook de grondslag van de wetenschappen omdat die uitgaan van een zekere aanname over de aard van de werkelijkheid. Oorspronkelijk betekende de term Wat na de natuur (fysica) komt, gebaseerd op werken van Aristoteles die volgden op zijn ‘Fysica’) van Spinoza is deterministisch. Het begrip ‘substantie’ (ding) is een holistisch begrip. De werkelijkheid doet zich via de werking van de tijd aan ons brein voor als een dynamisch lineair verlopend proces. In feite is de werkelijkheid vlgs Spinoza een vaststaande en causale holistische entiteit. Wellicht, maar dat denk ik zelf dan weer, ligt deze entiteit ingebed in een, wat wij nu noemen, singulariteit (een ongewoonheid, iets waar de natuurwetten niet meer geldig zijn of niet meer toegepast kunnen worden) en is de God van Spinoza gelijk te stellen aan substantie + singulariteit. Het klinkt een beetje vreemd, maar beter kan ik het op dit moment niet verwoorden!

We kunnen teruggaan naar de Griekse pre-socratici in de persoon van Parmenides die al een uiterst interessante ontologie ontwikkelde daar waar het gaat om een deterministische metafysica namelijk zijn overtuiging dat er geen verandering is, geen worden. Hij is derhalve voor latere tijden belangrijk, niet vanwege de hiervoor genoemde onmogelijkheid van verandering, maar wel vanwege de idee dat de substantie eeuwig en onveranderlijk is; het ding (substantie dus) is datgene wat hetzelfde blijft onder wisselende omstandigheden.

Spinoza, en dat zal geen verwondering wekken gezien bovenstaande, ontkent de vrije wil van de mens. Naar zijn mening kan er ook geen sprake zijn van goed en kwaad. Iedereen noemt ‘goed’ wat zijn zelfhandhaving bevordert en ‘kwaad ‘ wat haar belemmert. Hier komt Spinoza heel erg dicht bij de opvattingen van de moderne evolutie-biologie.

Deugd” zegt Spinoza, is niets anders dan het volharden in ’s mensen vermogen zich te handhaven. Hier komt dan het begrip welbegrepen eigenbelang om de hoek kijken. Geheel krachtens eigen deugd handelen is eigenlijk niets anders dan handelen krachtens de wetten van onze eigen aard. Belangrijk hierbij is dan te beseffen dat de mens krachtens zijn natuur, zijn aard, een redelijk wezen is (?????). Net zoals Socrates deed, koppelt Spinoza hier deugd aan de verkrijging van het juiste inzicht. Dat betekent dat handelen volgens de rede, de ratio goed is. De mens handelt dus volgens zijn natuur als hij vanuit het streven naar eigen voordeel handelt op geleide van de rede. Inderdaad, het welbegrepen eigenbelang!!! Maar er zijn verlokkingen, er zijn zaken die van de rede afleiden. Er zijn hartstochten, driften en instincten. Spinoza stelt dienaangaande: een aandoening, sic, (hartstocht, instinct, of drift) kan alleen worden bedwongen of opgeheven door een andere, tegengesteld aan en sterker dan die welke bedwongen moet worden. Wat kan de rede doen als zij zich gesteld ziet tegenover al die driften en hartstochten. Noot: we komen hier langzamerhand op het terrein van het stoïcisme!

Spinoza stelt vast dat elke drift of elke hartstocht altijd weer streeft naar volledige bevrediging. Elke lust wil volledig bevredigd worden zonder inachtneming van andere hartstochten en zonder rekening te houden met het welzijn van de hele persoon. De rede leert ons daarom tegengestelde driften te coördineren en dienstbaar te maken aan de hele harmonische persoonlijkheid.

Maar ook de rede zelf kan tot hartstocht worden en als zodanig functioneren. De rede kan dan deze aandoening overwinnen door zelf aandoening te worden. Er is dan sprake van een ultiem, via de rede verworven inzicht, dat zich manifesteert in hartstocht, in passie voor de onwrikbare rationele evidentie van de ‘Goddelijke’ rede. Het niet door externe stoorzenders, externe stimuli dus, belemmerde inzicht in de ratio van de natuur/God (substantie) schenkt ons dienaangaande, zoals Spinoza het noemt, adequate ideeën.

Driften, hartstochten en ook de zintuiglijke waarneming belemmeren de mens vaak bij het verwerven van adequate ideeën. Alleen de rede in haar hoogste vorm, die Spinoza ‘onmiddellijke aanschouwing’ noemt, verschaft ons adequate ideeën. Zij geeft geen verwarde kennis over de dingen als afzonderlijke grootheden, maar ziet alles in zijn noodzakelijke en eeuwige samenhang.

Zoals we kunnen constateren is Spinoza echt een loot aan de boom van het rationalisme. Hij heeft niet veel op met de zintuigen en de instincten. Hij wantrouwt ze. Spinoza is, zoals reeds gezegd, van mening dat slechts de rede echt betrouwbare kennis kan schenken. En hoever staat Spinoza hier niet af van de empiristen en alle daaruit voortvloeiende opvattingen over de methoden om de wetenschappelijke waarheid te zoeken. Het empirisme dat eenduidig de nadruk legt op het primaat van de zintuiglijke waarneming. Spinoza echter twijfelt niet aan het verstand en zijn vermogen om heldere kennis en onvoorwaardelijke zekerheid te bieden.

Wat we met de rede als absoluut waar hebben aangemerkt, aanvaarden we ook. Adequate ideeën worden aanvaard. De mens komt door inzicht in de rede van het noodzakelijke tot juiste zelf-bepaling en tot echte vrijheid. Het is de enige ware vrijheid die hij kan bereiken. Met het toenemen van voornoemd inzicht groeit volgens Spinoza ook de liefde tot God en het zich voegen naar zijn wil. Zo ontstaat de geestelijke liefde tot God/de natuur (amor dei intellectualis). Tegelijk is deze liefde natuurlijk ook een ‘amor fati’, een liefde tot het onveranderlijke lot (determinisme), zoals Nietsche twee eeuwen later verkondigde. Geluk is geen beloning van de deugd. De deugd zelf is het geluk.

Politieke opvattingen

Spinoza had zeer zeker ook politieke opvattingen. Bij deze opvattingen speelt altijd de geestelijke vrijheid een hoofdrol. Het gaat om het primaat van de vrije meningsuiting en de vrijheid van denken in het algemeen.

Het recht van de staat zal altijd even ver reiken als zijn macht. En tot de macht van de staat behoort alles wat hij kan afdwingen. Er zijn echter dingen die je niet kunt afdwingen, te weten godsdienstige en wetenschappelijke overtuigingen.”Niets verdragen mensen van nature moeilijker dan dat meningen die zij voor waar houden als misdadig worden beschouwd”.

De invloed van Spinoza op het denken was behoorlijk groot. Aanvankelijk duurde het even voordat die invloed gestalte kon krijgen. Hij was aanvankelijk een eenling. De joodse gemeenschap had hem radicaal verstoten en de katholieke kerk zette zijn geschriften op de index van verboden boeken. En in Duitsland overvleugelde het gedachtegoed van Leibniz (de leer der monaden) voorlopig de filosofie van Spinoza.

Maar uiteindelijk kreeg Spinoza steeds meer volgers. En won zijn filosofie steeds meer aan invloed. In Duitsland b.v. Lessing, Herder en Goethe. Maar later ook Schopenhauer, Nietsche, en Henry Bergson.

Kritiek: Spinoza nam als gegeven aan dat ‘inzien/inzicht’ en ‘aanvaarden/aanvaarding’ met elkaar samenvallen. Hij kon zich daarom nauwelijks voorstellen dat iemand iets onontkoombaar zou inzien met zijn verstand en het dan toch niet zou erkennen of aanvaarden. Spinoza ging mijns inziens ten onrechte uit van de ‘redelijke mens’, van de prevalentie en suprematie van de rede.

Een ander punt dat ik niet in zijn voordeel vind spreken is het feit dat hij het niet wenselijk achtte om het menselijk egoïsme te overwinnen. Het kwam hem als volkomen absurd voor dat iemand zich zou opofferen voor een ander. Hierin verschilt hij met zijn opvattingen sterk van de kern van het Christendom.

Met betrekking tot het ontbreken van de sociale component in de filosofie van Spinoza zal ik, na verdere studie, nog nader berichten.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

De overwinning van de cowboy met de rotkop.

Woehaaaaaaa!!!!!!

Woehaaaaaaa!!!!!!

 

 

Met gierend opgewonden gegil stuiven ze uit elkaar. Ze stonden te kijken naar de paardenkeuring, maar opeens slaat een zwarte Friese dekhengst op hol. Hij stormt op het publiek af, dat zich maar ternauwernood uit de voeten weet te maken. Ja, die goeie ouwe paardenmarkt in Snits. Er is altijd wel wat te doen. Doutze en haar iets jongere nichtje Diewertje waren ook gaan kijken, maar na de ‘acting out’ van die rare Friese hengst hadden zij al gauw hun bekomst. Zoiets moet toch beter beveiligd worden, zegt Doutze tegen Diewertje. Met gefronste blik kijkt zij naar de weg die voor hen ligt. De weg naar Ljouwerd. Na de mislukte paardenkeuring besluiten ze om naar Ljouwerd te liften. Nou moet u weten dat Doutze een werkelijk prachtig exemplaar is. En Diewertje mag er ook wel zijn als het gaat om oogverblindend Kaukasisch vrouwelijk schoon. Al spoedig stopt een lichtblauwe Mercury met een cowboy achter het stuur. Hij heeft zelfs een zwartlederen koeienjongenhoed op. Stap maar in zegt hij. Ik ga naar Ljouwerd. Doutze heeft allang de volstrekt onbetrouwbare arbeiderskop van de cowboy in de smiezen en weet dat het onsympathieke smoelwerk precies past bij haar vuige plan. Zij voelt nog eens, terloops, aan de binnenkant van haar prachtig bewerkte rechter rijlaars, Daar heeft zij het vlijmscherpe fileermes verborgen dat zij voor haar doel nodig heeft. De cowboy, met zijn rotkop, praat honderduit en brengt het gesprek al gauw op seks, neuken en alles wat men zoal kan bedenken op het gebied van de voortplanting. Diewertje fluistert naar Doutze, wanneer doen we het? Nog even wachten zegt Doutze. Laat hem eerst maar uitrazen. Zodra hij mij probeert aan te raken dan trek ik met één haal zijn opgefokte donder open, en de auto is van ons. Weten jullie wat voorvocht is, vraagt de cowboy. Nee, antwoordt Doutze, maar weet jij wat doodgaan betekent? En zij haalt fel uit met het fileermes. Het gelaat van de cowboy splijt in tweeën en het fileermes eindigt zijn reis precies in het hart van de schooier. De auto maakt een paar rare bewegingen, maar Doutze heeft de proletenbak al snel onder controle en leidt het monstrum naar de vluchtstrook. Overal zit bloed. Nu de spreuk, fluistert Dieuwertje. “Slamakkibok tres anibiatum” De lucht trilt. Een laag frequent gezoem komt van alle kanten. De werkelijkheid verschuift. Het bloed lost op. De auto verandert in een huifkar. Het ingespannen paard voor de wagen is de gitzwarte Fries die nu opeens kan praten. De meisjes zijn nog mooier en onbereikbaarder geworden. Hun lichamen gehuld in het broze tule van hun aura’s. Twee ouderwetse bezems staan tegen een dikke eik. Doutze klimt van de bok en zegt: Zo, dat was een makkie!” Nu moed verzamelen voor een ontmoeting met Beëlzebub. Het lichaam van de cowboy is verandert in een zwartharige sater. Overigens net zo dood als de cowboy. “Hij had ons bijna te pakken, met zijn helse verlokkingen”, fluistert Dieuwertje.

Op naar de Rode Hoeve, roept het paard dat vanaf nu Athos Ascaan heet. We moeten voor het donker binnen zijn, voordat de Peta’s wakker worden om ons te verleiden.

Doutze en Dieuwertje pakken de bezems en kiezen, schrijlings op de bezemstelen gezeten, het luchtruim. Zij blijven boven de huifkar cirkelen die wordt voortgetrokken door Athos Ascaan. De sater die levenloos langs de kant van het karrenpad ligt wordt vanachter de bossages in de gaten gehouden door talrijke aardmannen. Zij zoemen de liederen der opwekkingssrituelen stilletjes voor zich heen. Brengen daarmee de lucht aan het trillen. Er ontstaat, als uit het niets, een donkere trechter van draaiende gassen die zich een weg vreet naar het ontbindende binnenste van de sater. Een metamorfose vindt plaats. Een trol zo groot als een torenhoog rotsblok verheft zich, opent zijn bek en buldert achterelkaar de exacte toverwoorden van haat en gramschap. Donderwolken pakken zich samen. Het beest is wakker. De ganse wereld siddert en weet dat dit het begin betekent van nog moeilijker tijden. De zusters zijn terug. Groballus, de menner van alle kwaad en de hoeder van zonde, is wakker gezongen en zijn aardmannen bewapenen zich. De magie wordt sterker en sterker.

Ondertussen, in Lunteren, komt de Dorpsraad bij elkaar. Die rondweg moet er komen, anders is ons mooie dorp ten dode opgeschreven roept voorzitter Wittesteen. Het wordt een regelrechte ramp voor onze middenstand! We moeten dit jaar nog beginnen met de aanleg. Wie gaat de brief aan de gemeente schrijven? En het middelpunt? Het middelpunt van Nederland met zijn steen. Wie gaat de gemeente verzoeken om verplaatsing van de enorme zwerfkei die dat middelpunt aangeeft, zodat er een betere toegankelijkheid kan worden gecreëerd voor toerist en wandelaar.

Uiteindelijk wordt er een rondweg aangelegd en wordt de steen verplaats. Dat dan weer wel. Eindelijk.

Maar in de bodem, onder de plek waar de steen zich aanvankelijk bevond, komt duizenden jaren oude magie hernieuwd tot leven. De relatief dunne, nu volstrekt onbeschermde, grondlaag wordt door transcendentale krachten terzijde geschoven en een bodemloos gat wordt zichtbaar waaruit occulte dampen beginnen te ontsnappen. Vurige stukken ectoplasma worden vanuit het Hellegat honderden meters hoog de lucht in geslingerd en een zwaar dreunend bulderen wordt luider en luider. Een paar geschrokken wandelaars slaan in paniek op de vlucht. Zij rennen voor hun leven en gillen van angst als ook de bosrijke omgeving begint te veranderen. Bomen metamorfoseren in vreemde zwarte staketsels waaraan dode, in ontbinding verkerende, mensen met hun wegrottende hoofden in wurgende stroppen, gemaakt van de darmen hunner geliefde huisdieren, hangen. De ondergrond wordt steeds warmer en op broeiend-zompige wijze steeds smeriger, humus lost op en er ontsnappen verpestende en ziekmakende zwavelwaterstof-gassen die braakneigingen opwekken. Boven Lunteren pakken gifgroene wolken samen en uit het duivelsgat klimt de imposante figuur van Groballus naar het verkankerde daglicht. Een machtig en dreunend gebulder ontsnapt uit de wijd opengesperde muil van het inmiddels kilometers hoge monster. Het enige wat de heilige tegenkrachten van Gene Zijde hiertegen voorlopig vermogen te doen is een groot gebied rondom Lunteren, inclusief Ede, veilig te stellen door het oprichten van een zgn. bewustzijn-dempend en geheugen-wissend, occult energieschild. De rest van Nederland vergeet daardoor collectief het bestaan van dit gebied en gaat verder met de schijnbare orde van de dag.

Echter, de brengers van het Kwaad, kunnen, zij het niet ten volle, de implementatie van de zwarte magie volvoeren door hun vereende krachten te richten op een klein torentje ergens in het westen van Nederland. De baas van het torentje, suffend en totaal visieloos achter zijn indrukwekkende mahoniehouten bureau gezeten, ondergaat, als hij zijn ogen sluit, steeds weer dezelfde, schier occulte, sensatie. Hij ziet twee bloedmooie heksen van blondgermaanse statuur op hun gestroomlijnde bezems door het luchtruim flitsen. Zij roepen iets. Hij kan hen niet goed verstaan. Uit de toonzetting van hun stemmen blijkt evenwel een grote urgentie. Zij trachten hem kennelijk te waarschuwen voor dreigend gevaar. Hij doet zijn ogen weer open en staart naar het dossier van de algemene rekentoets. Wat is wijsheid in deze? Vanuit de vijver die aan het torentje grenst, kruipt, onzichtbaar voor ’s mensen oog een ectoplastische vorm langs de muren omhoog. Omdat het een zwoele zomerdag is heeft de visieloze een raampje op een kier gezet. Door deze kier vloeit de verborgen vorm naar binnen, beweegt zich over de vloer naar de benen van de visieloze en glijdt bij zijn broekspijpen naar binnen, vloeit vervolgens omhoog, langs de withuidige, zwartharige kuiten en dijen om uiteindelijk halt te houden vlak voor de, op het zitkussen van de bureaustoel platgedrukte, donkerbruine anus van de visieloze. Er vindt snel overleg plaats tussen het ectoplasma en Groballus. Naar binnen, beveelt Groballus, en wel als de gesmeerde bliksem! En net als de visieloze een krachtige, edoch geluidloze wind laat, maakt het kwaadaardige ectoplasma van de gelegenheid gebruik om zich naar binnen te wringen en via het centrale zenuwstelsel zich te nestelen in het intracraniële beslissingscentrum van de grote bestuurder. Aldaar neemt het al snel de touwtjes in handen en begint vrijwel meteen met zijn destructieve werk.

De heksen kunnen schreeuwen wat zij willen. Het kwaad is geschied.

De visieloze opent zijn ogen. Ziet het rekentoetsdossier en neemt een beslissing. Hij belt de staatssecretaris met het kaalheid verhullende jongenskapsel en de onvolwassen corpsbal-uitstraling en vertelt hem zijn poot stijf te houden. Die rekentoets moet er door. Kost wat kost. Ook als de ruggengraatloze coalitiepartner dwars gaat liggen. Dan maar dreigen met de portefeuille-kwestie, beveelt de visieloze. Wat geeft het. De verhoudingen tussen de coalitiepartners zijn toch al verpest.

Een aantal jaren later wordt in Assen aan een potentieel zeer technisch begaafde leerling, op grond van een slecht gemaakte rekentoets het einddiploma geweigerd. Hij kan niet naar de T.U. Delft. En hij slijt zijn werkzame leven als chef buitendienst van een middelgroot elektrotechnisch bedrijf, alwaar hij positief opvalt door zijn creatieve beleidsoplossingen en zijn scherpe inzicht in de problematiek der elektrotechniek. Verder valt er over hem binnen die tijdlijn niets bijzonders te vermelden.

Hij gaat dus niet naar de T.U. Delft, Hij slaagt daar niet summa cum laude. Hij wordt niet de grondlegger van de graviteitsneutralisator. Hij wordt niet de wetenschapper die op empirische wijze het bestaan en aard van de occulte singulariteit ontdekt. Daardoor wordt niet de mogelijkheid geopend om op afdoende wijze het evidente, zeer reëel bestaande Kwaad te bestrijden en uiteindelijk te verslaan.

Nee, niets van dat alles.

Daarentegen verpietert en degenereert deze wereld. Het Kwaad krijgt steeds meer greep op de werkelijkheid en uiteindelijk wordt het Goede definitief verslagen en kan het Kwaad ongehinderd zijn opmars binnen het vigerende ruimtetijdcontinuum beginnen.

De heksen en het Goede verhuizen definitief naar een ander passend ruimtetijdcontinuum binnen het multiversum en beginnen opnieuw, wetende dat het vechten tegen de bierkaai blijft.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized