Maandelijks archief: maart 2015

De overdreven hype rond alles wat Hazes heet.

De bejubelde volksheld. Bevestiging van een puur Nederlandse identiteit!

De bejubelde volksheld. Bevestiging van een puur Nederlandse identiteit!

 

Ik voel me behoorlijk tekort gedaan door jan-met-de-pet. Hij heeft Hazes van mij afgepakt. Ja, ik bedoel die zelfverklaarde gewone man die het arbeideristische fenomeen Hazes zo ferm en daadkrachtig op het schild heeft gehesen dat onze sneue smartlapzanger er langzaam mee lijkt te vergroeien. Eerst was Hazes een liedjeszanger met de volkse intonatie van een toffe Amsterdammer. Een soort Johnny Jordaan – type. De volkszanger kenmerkte zich, zoals te doen gebruikelijk bij ruige volkszangers, door een gebrek aan zelfbeheersing, alcoholisme, kleffe melancholie en uiteraard door die snikkende stem, die gekwelde volkse stem. Hij stierf plotseling en werd een legende. Zijn doodskist stond pontificaal op de middenstip van de Arena, zijn aanhangers huilde tranen met tuiten tijdens de seculiere rouwdienst en zongen uit volle borst het straatlied “Bloed, zweet en tranen”. Dit lied werd later het lijflied van iedereen die wel wilde maar niet kon. De ordinaire tragiek kleefde aan de kont van Hazes. Hazes werd na het, nota bene op TV rechtstreeks uitgezonden, rouwbetoon bijgezet in het volkse panopticum waar de heren Fortuyn en van Gogh ook tronen. Hij werd een cultheld en veranderde van een “guilty pleasure” tot een volwaardig muzikaal icoon van de snel rijk geworden, maar natuurlijk steeds ‘gewoon’ gebleven Amsterdamse nouveaux riches. Een groep die voor het merendeel bestaat uit arbeiderskinderen die, met behulp van een hogere opleiding, de huidige decadent hedonistische en ethisch volstrekt losgeslagen VVD-achtige jetset vormt. Hogere opleidingen overigens die door hun ouders werden bekostigd waardoor deze zich vaak elke luxe moesten ontzeggen.

Deze “geëmancipeerde” arbeiderskinderen zijn inmiddels ook heer en meester in medialand. Zij bepalen op geleide van gehaaide en geraffineerde marketingmechanismen voor een heel groot deel de dominante cultuur in Nederland. En die cultuur is anti-intellectueel, egalitair en uitgesproken hedonistisch. Er zijn geen ethische ankerpunten. Wat de wet niet verbiedt is toegestaan. Er is geen sprake meer van enige terughoudendheid, bescheidenheid of authentieke zelfreflectie. Het gaat er gewoon om wie de leukste, de beste, de mooiste, de sterkste, de slimste etc is. Het leven is voor deze mensen een soort continue wedstrijd. Een wedstrijd die, volgens deze gelukszoekers, het beste in de mens naar boven zou moeten halen. Hoe ver staat dit vederlichte gedachtegoed niet af van een samenleving die doordrongen is van rechten en plichten, van medeleven met de zwakkeren, van liefdevolle solidariteit. Nee, wat binnen deze dominante cultuur geldt is beroemdheid, onbescheidenheid, disproportionele zelfverrijking en een potsierlijke zelfverheffing. En daar is de commerciële verheerlijking van Hazes een onlosmakelijk onderdeel van geworden. Inmiddels hebben we, geloof ik, het Hazes-toneelstuk gehad, de Hazes-musical en wat rest is de Hazes-film die binnenkort in roulatie komt. Het concept “Hazes” wordt door zijn simpele erfgenamen en de keiharde zakenhyena’s die om hen heen draaien, helemaal uitgemolken tot er geen euro meer achterblijft. De valse romantiek van het leven van een tragi-komische volkszanger wordt tot op het bot commercieel uitgebuit en ons wordt tot vervelens toe via de verrekijk ingepeperd hoe leuk, grappig, maar ook tragisch dit alles wel niet is.

Het ongenoegen is overigens wederzijds. Want wee hem die iets ten nadele van de gewone man zegt; die roept daarmede automatisch de toorn van het geëmancipeerde proletariaat op en dat is niet zo mooi! De keihard werkende, doodgewone en altijd iets angstige jan-met-de-pet uit de lagere middenklasse laat zich niet zomaar zijn dromen afpakken. In principe weet hij dat hij net zo beroemd kan worden als Hazes of misschien nog wel beroemder. Dat is tenminste wat die leuke en altijd super enthousiaste TV-mensen hem verzekeren. Als je maar voldoende je best doet kun je alles worden. En lukt het niet, jammer, maar dan ligt het natuurlijk wel helemaal aan jezelf. Had je maar beter je best moeten doen.

Nou, geef mijn portie maar aan fikkie. Vroeger vond ik sommige liedjes van Hazes best wel leuk, maar door dat hypocriete, opgefokte en extreem gemaniëreerde gedoe heb ik inmiddels mijn buik vol van al dat Hazesgedoe. Wat een onsmakelijke vertoning!!

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Aantekeningen bij “Het Digitale Proletariaat” van Hans Schnitzler.

Het Digitale Proletariaat.

Het Digitale Proletariaat.

Op 6 juni 2012 plaatste ik een opiniërend blog over Facebook op OBA. Het had als titel “De ondraaglijke lichtheid van Facebook”. Er kwamen maar heel weinig reacties op, maar de reacties die ik ontving waren sterk defensief en afwijzend. Men was het volstrekt niet eens met mijn stellingname. En ik had zelfs de indruk dat men zich persoonlijk aangevallen voelde. In het genoemde blog had ik geschreven dat ik Facebook een uiterst vluchtig, maar vooral, in zijn algemeenheid, een zeer oppervlakkig medium vond. Ik kon het niet anders zien dan als een vergaarbak van narcisme en exhibitionisme en ik constateerde dat het vrij snel bezig was te veranderen in een commercieel monstrum, een soort Big-Brother-achtig geheel.

En toen verscheen het boek “Het Digitale Proletariaat” van de filosoof Hans Schnitzler. In dit boek zet hij op zeer eloquente wijze uiteen wat er nou eigenlijk mis is met het gebruik van sociale media zoals Facebook, Twitter, etc. Hij beredeneert op bloemrijke wijze de manco’s van de huidige digitale tijdgeest. Ik vind dat eigenlijk iedereen dit prachtig geschreven boek zou moeten lezen. Hans Schnitzler heeft het over digitaal despotisme, over het bijna totaal verdwijnen van het intiem kapitaal, en over extreme vervreemding en dehumanisering. Ik ga hier zeker niet de inhoud van dit boek weergeven. U moet het zelf maar lezen! Hij schrijft over de commerciële krachten en machten die dit hele perfide proces sturen en beheersen. In zijn stellingname is hij een heel stuk confronterender dan ik was met mijn krakkemikkige blog van 6 juni 2015. Eigenlijk beschrijft hij een beklemmende en angstaanjagende situatie. Hans Schnitzler is behoorlijk kritisch en zijn vrij harde, maar volgens mij zeer logisch gefundeerde kritiek, is mijns inziens volledig terecht.

Ik vind het een tragische en omineuze ontwikkeling dat, in vergelijking met de jaren zestig, de wil om kritisch naar de wereld te kijken bijna geheel verloren is gegaan. Op zijn best verzandt men in wat egoïstisch gemopper over de eigen materiële toestand, maar verder hangt men toch voor het merendeel de onnozele vrolijke consumptieverslaafde uit die bijkans van genoegen snort als hij zijn materiële lusten op een egoïstische commerciële wijze kan bevredigen. Betrokkenheid bij de wereld komt tegenwoordig vaak niet verder dan het beeldscherm en echte actiebereidheid wordt vaak als randcrimineel gedrag afgedaan. Het moet allemaal leuk en aardig blijven. Pas als men zich op materieel terrein tekort voelt gedaan komt men individueel in actie hetwelk meestentijds tot niets leidt omdat de macht die men hiervoor moet bestrijden inmiddels veel te groot is geworden om als eenling te tackelen..

Het is evident, zo lijkt mij, dat de toekomst ons voor grote problemen gaat stellen. Ook de wetenschappelijke wereld is bijna unaniem die overtuiging toegedaan. Maar in een tijd waarin wetenschap als een zoveelste mening terzijde wordt geschoven, valt van de gewone man (dus van de huidige politiek) eigenlijk niets meer verwachten. Overigens, zo er überhaupt al een gewone man bestaat!! Zelf vindt hij natuurlijk, ingegeven door schromelijke zelfoverschatting en milde megalomanie, dat de gewone man niet bestaat. Iedere gewone man in deze dolgedraaide mediacratie van hypes en scoops is bijzonder en uniek en heeft zijn geheel eigen mediawaarde! Vandaar!! Het gaat dus om planeet EGO met hoofdstad IK. En betrokkenheid bestaat niet op die planeet tenzij de hoofdstad IK er nog verder door kan worden verfraaid. Maar ik dwaal af en laat me toch weer meeslepen door mijn emoties!! Sorry!

Ondanks steeds grotere afkeuring blijf ik gewoon doorzeuren en vervelen, om maar eens de pejoratieve termen te gebruiken die door mensen gebezigd worden die het niet met mij eens zijn.

Er moet wat gebeuren. Er valt een wereld te winnen!! En er valt niet aan te ontkomen dat wij onze luxe wijze van leven, dewelke op natuurlijke wijze voortkomt uit de opbrengsten van een vrij destructief economisch systeem, op relatief zeer korte termijn moeten gaan bijstellen. Er bestaat een grote urgentie om nu de gewenste politieke actie te ondernemen teneinde dreigende rampen in de toekomst af te wenden.

Maar met een lethargisch, zichzelf voor de gek houdend en volledig van zichzelf vervreemd digitaal proletariaat wordt zoiets bijna onmogelijk. Hans Schnitzler bespeurt hier en daar in de samenleving een begin van een bewustwording aangaande genoemde problemen. Ik hoop met hem dat deze bewustwording steeds groter wordt en steeds breder gedragen.

“Het Digitale Proletariaat” leest niet altijd even makkelijk door het bloemrijke taalgebruik. Ikzelf ben verzot op bloemrijke en barokke taal maar de moderne mens denkt daar, naar ik heb geconstateerd, totaal anders over. Toch maar even doorbijten dan. Voor het goede doel.

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Karl Marx. Een beknopte beschrijving van zijn leven en een korte uiteenzetting van zijn filosofie.

Karl Marx

Karl Marx

Voorwoord

Gedurende mijn studiejaren in Utrecht, midden jaren zestig, was het gedachtegoed van Karl Marx en Vladimir Iljitsj Ulyanov vaak het onderwerp van verhitte politieke discussies. Ik kan me herinneren dat ik, na te hebben kennisgenomen van de economische theorieën van Marx, niets anders kon doen dan de meeste zijner beweringen en stellingen afdoen als monomane onzin en onlogische irrationele flauwekul. Dat werd me toen niet in dank afgenomen. Ik neigde meer naar de werkelijke vrijheid van het niet dogmatische anarchisme. Daarom legde ik het werk van Marx terzijde, maar bleef uiteraard, als rechtgeaarde adolescent, wel zoeken naar de basis onder het leven. Reden waarom ik mij enthousiast stortte op de ‘openbaringen’ van de theoretische fysica. Een liefde die ik tot op de dag van vandaag koester.

Bij mijn niet aflatende zoektocht naar zingeving werd ik vooral geobsedeerd door het vraagstuk van de ethiek, van de moraal. Solide kennis van de filosofie had ik toen nog niet, dus ik kon niet anders dan, dat wat mij zo intens interesseerde, op een vrij gebrekkige en soms zelfs inadequate manier formuleren. Desondanks was ik, naar ik nu kan beoordelen, in mijn schuchtere pogingen wel duidelijk. Ik vroeg mij namelijk af waar ik mijn leven, mijn denken, mijn handelen op zou moeten grondvesten, wilde er in mijn ogen sprake zijn van een zinvol leven. Wat zou voor mij het leitmotiv moeten zijn?

Op een niet te achterhalen wijze kwam ik toen ook in aanraking met het werk van Ayn Rand in de vorm van haar romans. Ik las ze in het Engels, wat toen voor mij nog een hele toer was, de dikte van de boeken in aanmerking genomen. Tevens verdiepte ik mij in de “filosofie” van Ayn Rand, het zogenaamde “Objectivisme”. Na grondige lezing van genoemde schrijfsels en opvattingen raakte ik vervuld van een intense walging. Ayn Rand vindt hebzucht goed en altruïsme slecht. Zij schrijft over sterke, mooie en krachtige mensen die zich op een megalomane manier ontworstelen aan een decadente samenleving van parasitaire zwakkelingen, meelopers, angsthazen en zielenpoten. Naastenliefde, empathie, erbarmen en genade komen in de vocabulaire van Ayn Rand niet voor. Mij stond toen al voor ogen dat een samenleving waarbinnen deze, in mijn ogen uiterst positieve begrippen, als kwaadaardige obstakels voor een gezonde en efficiënte gemeenschap werden gezien, een hel op aarde moest zijn.

Nee, dan vond ik die rare Marx met zijn dialectisch materialisme, zijn klassenstrijd en wat niet al, toch nog veel beter te verteren dan het keiharde, volstrekt liefdeloze en bijna onmenselijke “objectivisme” van mevrouw Rand. Dit dus ondanks de rabiate onzin die ook Marx te pas en te onpas uitkraamde. Om dat ik in die jaren vanwege mijn vriendin veel te maken had met het gereformeerde gedachtegoed werd ik bijna dagelijks geconfronteerd met begrippen als ‘liefde’, ‘Genade’, ‘vergeving van schulden’, maar ook met omineuze termen als ‘zondaars’, ‘erfschuld’, ‘verleiding’ en alle andere ellende die men zich dienaangaande kan voorstellen. Desalniettemin kende en benadrukte het Christelijk geloof de positieve noties van naastenliefde en erbarmen en ik constateerde dat sommige gelovigen echt wel probeerden om de inhoud van deze begrippen, hoe gebrekkig soms ook, te incorporeren in hun leven van alle dag. De ethiek van het Christendom sprak mij wel aan.

Maar tevens zag ik daarnaast ook dat verreweg het grootste deel van het maatschappelijk leven werd beheerst door de sociaal destructieve krachten van het kapitalisme dat als adagium hanteerde “Ieder voor zich en God voor ons allen”. Het akelige onsympathieke gedachtegoed van Ayn Rand zag ik in de aangepaste vorm van een mild kapitalisme overal om me heen en ondanks het feit dat hier in Nederland de scherpste randjes er wel vanaf waren werd ik er beslist niet vrolijker van. De samenleving raakte op het toen (jaren zestig) nog beperkte maar wel uiterst vitale terrein van de economie steeds meer vervuld van de jacht naar geld, bezit, macht en van het zielloze, soms zelfs regelrecht ziekelijke streven, naar een hogere sociale status. Deze dynamiek werd vanaf de jaren tachtig bijna exponentieel versterkt door de aanzwellende verleiding van het steeds meer aan kracht winnende, maar sociaal gezien o zo destructieve neoliberalisme. De samenleving raakte ontzuild en werd bevangen door een postmodern immoreel en onethisch hedonisme dat kennelijk op basis van een conditio sine qua non moet samenhangen met de voortschrijdende neoliberale economisering en depolitisering van steeds grotere delen van de bevolking. Inmiddels (2015) is de samenleving in feite totaal geëconomiseerd en commercieel gedigitaliseerd door het toedoen van geraffineerde marketing deskundigen, doortrapte, psychologiserende HR-functionarissen en carrière-jagende meten-is-weten managers. Het volk wordt gepacificeerd en gedrogeerd met “brood en spelen” in de vorm van sociale media en exuberante luxe. Ik verwijs hier nadrukkelijk naar het boek van meneer Hans Schnitzler “Het digitale proletariaat”; u moet blz.135 t/m 145 maar eens lezen. De schrik slaat je om het hart.

In de huidige tijd zie ik helaas een steeds grotere toename van egoïstische onverschilligheid, nihilistisch en destructief hedonisme, verveelde geborneerdheid, ernstige consumptieverslaving, sarcasme, cynisme en ergerlijke vormen van gemaniëreerdheid. Dit alles dus, in mijn ogen, als een uitvloeisel van een a-vitaal, louter ik-gericht en regressief conservatief kapitalisme, gestoken in een verleidelijk mooi glimmend jasje, maar met alle vervreemdende en materialistische levensstijlen van dien.

Inmiddels ziet het weldenkende deel van de wereldbevolking, dat gelukkig door beter onderwijs steeds groter wordt, wel in dat het vigerende, destructieve, economische systeem ons rechtstreeks naar steeds grotere problemen voert en dat de urgentie om andere, veel duurzamere en rechtvaardiger economische systemen te implementeren, enorm groot is en steeds groter wordt. U heeft wellicht bemerkt dat ik, ter wille van de goede zaak, de dynamiek die onze samenleving tegenwoordig bezield, misschien een beetje te zwart en negatief afschilder, maar ik doe dit louter en alleen om de dringende urgentie tot noodzakelijke verandering nóg groter te doen lijken. Nogmaals, alles voor de goede zaak!!

Echter, door dit alles ben ik me weer eens gaan verdiepen in Karl Marx en zijn kameraden, om te bezien of hij met betrekking tot boven beschreven negatieve dynamiek, naast een heleboel onzin, ook nog iet verstandigs heeft te zeggen, iets dat ons nu mogelijk behulpzaam zou kunnen zijn op onze weg naar een betere, wijzere en meer liefdevolle wereld.

Het leven van Karl Marx

Karl Marx werd op 5 mei 1818 in Trier geboren als zoon van de advocaat Hirschl Marx (later Heinrich) en de Nederlandse Henriette Presburg, geboren en getogen te Nijmegen. Op 17 jarige leeftijd ging Marx in Bonn studeren. Hij koos daar voor de wetenschap van de rechtsgeleerdheid. Destijds was Trier een cosmopolitische gemeenschap, maar wel ernstig economisch gedepriveerd met veel werkeloosheid en armoede. De socialistische ideeën van Saint Simon (Hij beschouwde de menselijke rede als de bron van alle wijsheid. Loon was niet te verstrekken naar werken maar naar behoefte. Alle voorrechten dienden te worden afgeschaft. Industriëlen moesten de samenleving regeren, niet politici of filosofen. Door de grote macht die hij aan de bewerkers van de industriële revolutie wilde geven, was hij een voorganger van het staatssocialisme ) en van Charles Fourier ( Fourier ontwierp een samenleving bestaande uit lokale gemeenschappen, waarbij iedere gemeenschap tussen de 1600 en 1800 bewoners zou hebben. Een gemeenschap vormde een coöperatie die zowel landbouwproducten als industriële producten zou produceren. De gehele gemeenschap zou in één groot gebouw wonen en werken. De gemeenschap had de naam phalange en de gebouwen werden Phalanstères genoemd. Deze namen zijn afgeleidt van het Griekse woord phalanx. De geproduceerde goederen of de winst van een phalange zou verdeeld worden onder de bewoners en de investeerders. De winstdeling zou gebaseerd zijn op het geïnvesteerde kapitaal, geleverde arbeid en het talent van de betreffende persoon. Leden die veel geld hebben ingebracht hoefden niet te werken. Iedereen moest huur betalen voor hun appartement en de huren voor luxer appartementen waren hoger. Fourier ontwierp ook een afgezwakte versie van de phalange dat als tussenstap zou fungeren. Deze tussenstap noemde hij guaranteéisme (in het Nederlands ook wel waarborgingsstaat genoemd) die door rijke ondernemers gestart moesten worden. (Alle phalanges zouden onderdeel zijn van een wereldfederatie. De leider van een phalange zou democratisch gekozen worden. Deze leiders werden baronnen of unarchen genoemd en die zouden het overkoepelende bestuur van vier phalanges kiezen, de zogenaamde deuxarchen of burgergraven. Nog negen ander getrapte verkiezingen zouden worden gehouden. De wereld zou worden geregeerd door een gouverneur met de titel Omniarch die in de wereldhoofdstad Constantinopel zou zetelen.))

sloegen in het economisch gedepriveerde gebied rondom Trier enorm aan. De ouders van Karl Marx waren joods. Zij waren ‘seculiere’ joden, niet belijdend, zeker niet conservatief en niet dogmatisch. Zij onderschreven de beginselen van de Verlichting. De vader van Marx werd Luthers om zijn carrière in het anti-Joodse , zeer conservatieve Pruisische Rijk van na 1815 veilig te stellen. Karl Marx groeide op in een zekere welstand. Van studeren kwam in Bonn niet veel terecht. Dus ging Marx in Berlijn studeren. Ondertussen verloofde hij zich met het buurmeisje Jenny von Westphalen, telg uit een oud adelijk ambtenarengeslacht. Haar vader was hem in die tijd geregeld tot intellectuele steun.

In Berlijn nam de belangstelling van Karl Marx voor de wat intellectuelere zaken snel toe. Hij las het werk van Fichte en van Immanuel Kant. Daarnaast kwam hij volledig in de ban van de filosofie van Georg Hegel. In die tijd was het Hegelianisme de prevalerende filosofische richting in Berlijn. Wat dat betreft waren er twee hoofdstromingen te onderscheiden: – De conservatieve stroming van Hegel zelf met zijn wat mistige Weltgeist, zijn idiote nationalisme en wat niet al. Deze vrij reactionaire stroming was begrijpelijkerwijze de staatsfilosofie. – De revolutionaire, radicaal democratische stroming van de Jong – Hegelianen met Bruno Bauer en consorten. Deze stroming had fundamentele kritiek op religie. Marx verkeerde in de kringen van de Jong – Hegelianen. Door zijn radicalisme kon hij niet in Berlijn promoveren maar moest dit in Jena gebeuren. Zijn proefschrift ging over “Het verschil tussen de natuurfilosofie van Democritos en Epicurus”

Na het beëindigen van zijn studie ging Marx weer naar Bonn, Vanwege zijn radicalisme kon hij, begrijpelijkerwijs, nergens universitair docent worden. Daarom werd hij journalist.

1842 – 1843: – In Keulen werd hij redacteur van de radicaal democratische krant, de “Rheinische Zeitung” . In oktober 1842 werd hij hoofdredacteur. De krant werd steeds radicaler en de censuur werd steeds strenger. In 1843 werd de krant door de Pruisische overheid verboden. Het moest niet te gek worden, vond men. Op 18 juni 1843 huwt Karl Marx met Jenny von Westphalen in Kreuznach, alwaar hij enkele gelukkige maanden blijft wonen. In die tijd maakt Marx ook kennis met de filosofie van meneer Ludwig Feuerbach (“Het wezen van het Christendom”) (Ludwig Feuerbach was een filosoof die zichzelf tot doel had gesteld de mens weer terug op aarde te brengen. Hij is ook de grondlegger van het moderne geseculariseerde denken. Op het gebied van godsdienstfilosofie kwam hij met twee opvattingen:

  1. God is een projectie van de mens
  2. Er is een alomvattend beginsel. Hij stelt hierbij het streven naar geluk centraal.

Feuerbach zag religie als slechts een bevrediging van een verlangen van de mens. Hij beschouwde religie als een compensatie voor beperktheid en eindigheid, en godsdienst is volgens Feuerbach niets meer dan een illusie. Hij pleit voor een beschaving niét gebaseerd op religie maar op natuurwetenschap.)

1843 – 1844 : – De periode van de “Deutsch – Fransösische Jahrbücher”. Marx verhuisde naar Parijs en werd daar redacteur van bovengenoemde “Jahrbücher” Er kwam slechts een dubbelnummer van de persen. Met artikelen van een aantal radicale democraten, waaronder natuurlijk Marx zelf. Hij publiceerde : – “Kritiek op Hegels rechtsfilosofie. Inleiding”. En : – “Het vraagstuk der joden”. In deze periode krijgt de samenwerking met Friedrich Engels vastere vormen. Karl Marx wordt op verzoek van Pruisen door Frankrijk uitgewezen en hij gaat begin 1845 in Brussel wonen. Hij doet afstand van zijn Pruisisch staatsburgerschap.

1845 – 1847 : Brussel. “Het Communistisch Manifest”. Het gist en broeit in Europa. Men is de repressie van de restauratieve regimes meer dan zat. Radicalen en revolutionairen slijpen hun messen en maken zich op voor de strijd. Het oproer kraait!!! In deze periode schrijft Marx samen met Engels vele werken waaronder: “De Heilige Familie” (Fundamentele kritiek op Bruno Bauer en zijn Jong – Hegelianen. Spottend en sarcastisch van toon en voor 90% het werk van Marx zelf), “De Duitse Ideologie” met daarin opgenomen de beroemde “Stellingen over Feuerbach”. In 1847 verschijnt “De armoede van de filosofie” (een variatie op “La Philosophie de la Misere” van Pierre – Joseph Proudhon, autodidact en anarchist. Bedenker van de slogan: “La propriété c’est la vol”), dit geschrift bevat ideeën van Marx over de economie t.w. de waardetheorie, arbeidsverdeling, het concurrentieprincipe, de grondrente etc. In deze tijd worden Marx en Engels lid van de “Bond der Rechtvaardigen”, later de “Bond der Communisten”. En……op 21-2-1848 (het grote revolutiejaar) verschijnt het beroemde en vooral beruchte “Communistisch Manifest”. Een pamflet met opruiende taal. Strijdbaar. Klaar voor totaal nieuwe tijden. “Proletariërs aller landen verenigt u” Het begint met de bekende zin: “Een spook waart door Europa – het spook van het communisme…………!!!!!!”

1848 dus. Het revolutiejaar. Volksopstanden in Frankrijk, Italie en Oostenrijk. En……….een heel klein beetje onrust in Nederland met zijn toenmalige jansaliegeest ( u kent hem wel, die trage Jan Salie beschreven door Potgieter in “Jan, Jannetje en hun jongste kind”). De stijle liberaal Thorbecke komt met zijn grondwet en provoceert daarmee min of meer een heel klein beetje onze autocratisch ingestelde koning. Deze held van Waterlo, onze eigen koning Willem II vertelde aan eenieder die het maar horen wilde dat hij in één nacht was getransformeerd van conservatief tot liberaal. Zijn psychopathische opvolger Willem III (de gorilla-koning) dacht er heel anders over!! Begin 1848 gaat Marx terug naar Parijs, waar het in dat jaar allemaal gebeurde! Maar in april 1848 is hij al weer terug in het Rheinland om er de “Neue Rheinische Zeitung” op te richten. Het is, zoals zich laat raden, een extreem radicaal blad en wordt dan ook in 1848 verboden. Het laatste nummer verschijnt in mei 1848 in het vlammend rood. De opstanden zijn mislukt. En Marx verdwijnt naar Londen alwaar hij de rest van zijn leven zal wonen.

1850 en daarna: Marx zit dus min of meer als banneling in Londen. Hij wijdt zich voortaan volledig aan de studie. Vooral gaat hij aan de gang met zijn studies over de economie. De basis wordt gelegd voor zijn magnum opus “Das Kapital”. Marx en zijn gezin worden door extreme armoede en ziekte geteisterd. Friedrich Engels sprong het armlastige gezin vaak bij als het helemaal niet meer ging. Vier van de zeven kinderen van Karl Marx en Jenny von Westphalen sterven op jonge leeftijd!! Slechts drie dochters blijven in leven ( Jenny, Laura en Eleanor). Pas eind zestiger jaren van de 19e eeuw gaat het beter als Marx een behoorlijk groot vermogen van zijn moeder erft. Die rare Karl zou ook nog een buitenechtelijk kind, een zoon, hebben gehad van zijn huishoudster. Maar zeker weten doet men dat niet. Voor evenveel geld waren het aantijgingen van het doortrapte grootkapitaal!

In 1850 schrijft Marx ook “De klassenstrijd in Frankrijk”, een historisch materialistische interpretatie van de gebeurtenissen in het revolutiejaar 1848.

Daarna volgen nog vele geschriften van de hand van Karl Marx. Op 28 september 1864 vindt de oprichting van de “Eerste Internationale” plaats. In 1867 verschijnt het eerste deel van “Das Kapital”. De volgende delen zouden niet meer tijdens zijn leven in druk verschijnen. Deze werden na zijn dood door Friedrich Engels gepubliceerd.

Op 14 maart 1883 overlijdt Karl Marx en wordt hij bijgezet in het graf op begraafplaats ‘Highgate’ te Londen. Tot op de dag van vandaag is het een soort bedevaartsoord voor de goedgelovigen.

De filosofie van Marx

Voor de filosofie van Marx is meneer Georg Hegel van groot belang. Maar ook het gedachtegoed van Ludwig Feuerbach speelt in de ontwikkeling van zijn ideeën een cruciale rol. Het revolutionaire uitgangspunt wordt belichaamd door de dialectiek. Marx stelt dat de werkelijkheid niet een complex van kant-en-klare dingen is maar van continue processen. Ontologisch gezien is er dus steeds sprake van een ononderbroken dynamiek van worden en vergaan. Net zoals – kent u hem nog? – die oude sombere griekse wijsgeer Heraclitos die de onsterfelijke woorden sprak: “Panta Rhei” (alles stroomt). De dialectische ontwikkeling van Hegel die zich in de geest afspeelt (Hegel was een idealist) wordt door Karl Marx 180 graden gedraaid. Hij vult het dialectische proces met een zuiver materialistische wereldbeschouwing. Voor Hegel was “Het Idee” het eigenlijke en alleen “bestaande”. Marx stelt daarentegen dat de geest een product is van de materie. Hij schrijft: “Voor Hegel is het denkproces, dat hij onder de naam “Idee” zelfs tot een zelfstandig subject maakt, de demiurg (schepper, voortbrenger) van het werkelijke………….. Bij mij is omgekeerd het ideële niets anders dan het in het menselijk brein vertaalde en gewijzigde materiële”. Wat dit betreft zit Marx dus op een lijn met Feuerbach en de Franse materialisten (La Mettrie) van de 18e eeuw. Hij gaat echter veel verder. Marx brengt namelijk het dialectische proces in stelling. Hij verwijt die oude materialisten namelijk twee dingen te weten dat: – hun materialisme niet dialectisch is, het is statisch ,veel te theoretisch en ontbeert derhalve de noodzakelijke praktische relatie met de dynamiek van de geschiedenis, en dat: – het oude Franse materialisme te abstract is. Het dialectisch materialisme dient juist op het maatschappelijk leven te worden toegepast, maar dan natuurlijk niet theoretisch om het te leren “kennen” of te “interpreteren” maar praktisch om het te veranderen.

Geconcludeerd kan worden dat de filosofie van Karl Marx een sterk in de praktijk geworteld en dynamisch karakter heeft.

Een ander, in mijn ogen heel erg belangrijk begrip van Marx is “De vervreemding”, de zelfvervreemding en de zelfverwerkelijking. Marx stelt dat de mens in het kader van zijn maatschappelijke omgeving dient te worden bezien als een werkend, arbeidend wezen. De mens is “het dier dat zichzelf produceert” In het vigerende arbeidsproces kan de mens zijn ware bestemming niet verwerkelijken. Hij raakt steeds verder vervreemd van het werk zijner handen en de producten die hij daarmede maakt! De ware bestemming van de mens is “Vrijheid”, een toestand waarin mens-zijn en het vrije burger-zijn met elkaar samenvallen. Dan pas is er volgens Marx sprake van de “Ware democratie” Dit streven vormt het leitmotiv voor het hele latere werk van Marx dat zich in drie dialectische stappen ontrolt: – Inzicht in de ware idee van de menselijke gemeenschap. Besef van de voortschrijdende zelfvervreemding van de mens. – Kritiek. Eerst het meten en sonderen van de maatschappelijke werkelijkheid. De resultaten van dit “onderzoek” langs de meetlat van de maatschappelijke idealen leggen en ze bezien in het licht van de ware bestemming van de mens. – Handelen, in die zin dat ideaal en werkelijkheid in een dialectisch proces met elkaar moeten gaan samenvallen. Op weg dus naar de socialistische heilstaat!

Hier raak ik Marx dus helemaal kwijt. Ik bespeur in zijn theorie op dit punt een soort heilsleer, een historisch determinisme, dat volstrekt in tegenspraak is met de wetenschappelijk geconstateerde, weliswaar intrinsiek causaal verlopende, contingentie van het traject dat de mens als evolutionair organisme binnen onze werkelijkheid moet doormaken.

Het Historisch Materialisme.

Wat valt er te zeggen over de toepassing van de beginselen van het historisch materialisme op het totale maatschappelijke leven. De toepassing van het materialisme op het maatschappelijk leven van de mensheid vraagt om een verklaring van het maatschappelijk bewustzijn uit het maatschappelijk “zijn”. Voor het materialisme is de materie, de stof, dus het enige dat werkelijk “is”. Het maatschappelijk bewustzijn (ideeën, theorieën, opvattingen etc.) is louter een spiegelbeeld van deze materiële werkelijkheid. Het is de ideologische bovenbouw van de werkelijkheid. Zoals de materiële levenswijze van de mensen, zo is ook hun denkwijze.

De ideologische bovenbouw wijzigt zich langzaam of snel al naar gelang het tempo van de economische veranderingen. Opvattingen zijn dus altijd een spiegelbeeld van de door de economie vorm gegeven maatschappelijke situatie. De reactionaire ideologieën van de heersende klasse worstelen om de voorrang met de progressieve ideologieën van de sociaaleconomisch omhoog strevende klassen. Na de tweede wereldoorlog zien we echter duidelijk hoe de omhoog strevende klassen (de arbeidersklasse, het proletariaat) van Marx door de toegenomen algehele welvaart worden geïncorporeerd in de “ideologie” van de heersende klasse. Anno 2015 is er eigenlijk geen sprake meer van een zelfbewuste arbeidersklasse. We zijn allemaal consumenten geworden en de theorie van Karl Marx komt, zeker na 1989, op de mestvaalt van de geschiedenis terecht.

Meneer Marx hield zich uitgebreid en op wetenschappelijke wijze met de economie bezig. Hij bedacht allerlei economische wetten over arbeid, arbeidsverdeling en productieverhoudingen. Deze theorieën worden uitgebreid uiteengezet in zijn magnum opus “Das Kapital” en zijn zonder al teveel moeite overal te lezen op het wereldwijde web.

Uiteraard kreeg het gedachtegoed van Marx terecht enorm veel kritiek. En dan vooral vanuit de conservatief klassiek liberale hoek waarin de winstgraaiende ondernemers zich hadden verschanst. Marx beweerde veel rare dingen. Hij beweerde bijvoorbeeld dat arbeidsintensieve bedrijven altijd meer winst maken dan arbeidsextensieve bedrijven. Dat is theoretisch gezien pure onzin en in de praktijk ook voor iedereen zichtbaar niet waar. Hij beweerde ook dat alleen de mens in staat is tot het produceren van meerwaarde. Haha!! Ik weet uit eigen ervaring dat een pootaardappel ook in staat is om behoorlijk wat economische meerwaarde te genereren.

De verdienste van Marx is dat hij wees op de causale verwevenheid van de economische onderbouw en zijn gespiegelde ideologische bovenbouw. Dat is mijns inziens een fundamenteel inzicht. Of dit allemaal echt zo radicaal en dogmatisch het geval was als Marx ons wilde doen geloven valt te betwijfelen.

Er was dus, zoals gezegd, ook veel kritiek op Karl Marx. Er wordt bijvoorbeeld, volgens velen, door Marx geen recht gedaan aan de geestelijke waarden en verschijnselen, met name niet aan kunst en religie, doordat hij monomaan blijft vasthouden aan zijn dogma dat kunst en religie uit niets anders kunnen voortvloeien dan uit de materiële onderbouw en daarmede dus exclusief het spiegelbeeld zijn van economische processen. Deze eenzijdige nadruk op het materialistische monisme, hier dus in de vorm van een star historisch determinisme, verhindert Marx een andere mogelijkheid te zien dan een uiteindelijke totale revolutionaire omverwerping. Marx was er kennelijk van overtuigd dat de algehele socialisering van alle productiemiddelen op den duur voldoende zou zijn om het paradijs op aarde te creëren.

Mijns inziens hebben de afgelopen honderd jaar aangetoond dat heel veel van de theorieën van Marx niet juist zijn. Soms is er zelfs sprake van klinkklare onzin.

Afsluiting.

Veel van wat Marx beweert vind ik onzin. Toch heb ik sympathie voor iemand die sterk bewogen wordt door de menselijke ellende om zich heen en probeert om er met zijn hele ziel en zaligheid wat aan te doen.

Dat de werkelijke vrijheid van de mens pas begint wanneer hij op economisch gebied niet meer wordt geknecht, uitgebuit of gestuurd wordt door een ander lijkt mij evident. Ook in onze tijd werd hierover al veel behartenswaardigs geschreven. Het is voor mij eigenlijk een uitgemaakte zaak dat de verwerkelijking van het ideaal van de echte individuele economische vrijheid in de toekomst sterk afhankelijk is van de vraag of de mens er in zal slagen om bepaalde positieve hoedanigheden zoals naastenliefde, empathie, erbarmen, een milde materiële soberheid en een duurzame milieuvriendelijke leefwijze verder te ontwikkelen en om tegelijkertijd destructieve eigenschappen zoals excessieve bezitsdrang, machtswellust, afgunst etc. te beteugelen.

Het huidige tijdsbeeld geeft mij echter niet echt veel hoop op een betere toekomst.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De verschijning in de seringenboom.

Red Baron. 2015

Dit gebeurde eind augustus 1953:

Jonathan Eisenmann was net thuis van ‘boodschappen doen’ toen hij in zijn keurig onderhouden tuin een eigenaardig soort diertje zag hangen aan het vogelvoederhuisje dat ooit door hem aan één van de stammetjes van de seringenboom werd vastgenageld als vriendelijk en bezorgd gebaar naar al die kleine en vertederende zangvogels die zijn tuin frequenteerden. Het wezentje was niet groter dan zijn pink, had menselijke handjes en had zichtbaar moeite om zich te blijven vastklampen aan het korte dunne stokje waarop normaal de gevederde vriendjes zaten als zij zaad uit het silootje wilden pikken. Het hoofdje van het diertje vertoonde tot zijn verbijstering menselijke trekken. Het werd getooid door iets wat leek op zo’n ouderwetse lederen vliegeniershelm, maar dan heel erg klein. Zijn kleertjes bestonden uit een felblauw mini-overalletje en aan zijn pootjes droeg het piepkleine, glimmende, zwarte laarsjes. Om zijn linkerarmpje had het miniwezentje een zwarte band met een fel rood rond vlak waarop twee identieke zwarte runentekentjes waren afgebeeld. Iets boven het vogelhuisje zag hij iets in de boom hangen. Bij nadere beschouwing bleken dit de resten van een deerlijk gehavend vliegtuigje te zijn met een afgebroken rechtervleugel en een bekraste en gebutst rompje.

Het manneke schreeuwde zo luid als het kon. Desondanks hoorde Eisenmann niet meer dan een vaag gepiep dat tussen het opgewonden gekwetter van zijn gevederde vriendjes nauwelijks was te onderscheiden. Voorover buigend trachtte hij te horen wat het ventje zei. “Verdammt noch mal”, schreeuwde het kereltje, “Mach mir mal los. Ich bin so eben abgestürzt. Mach mal schnell, du grosse stinkende Dreckschwanz!!” Op de HBS had Eisenmann wel wat Duits gehad dus begreep hij min of meer wat het vliegeniertje hem toeschreeuwde, maar bovenal werd hij het meest getroffen door de onverschrokken agressiviteit van de gillende miniatuurnazi.

Het terrarium!!, bedacht hij. Het terrarium waarin hij voor de oorlog salamanders en andere slootbewoners opsloot om ze nader te bestuderen. Dat kwam nu mooi van pas. Hij beende naar het schuurtje, na eerst het heftig scheldende minimannetje met de pincetgreep te hebben vastgepakt. Het manneke bleef zich als een bezetene spartelend verzetten en schold hem nog steeds de huid vol. In het brein van Eisenmann rijpte een plan. Met een hand vatte hij het terrarium dat op de werkbank stond en schoof het naar het midden. Langzaam liet hij het mannetje erin zakken. Op de bodem van het terrarium begon het ventje driftig rond te rennen. Zo nu en dan stond het stil en schopte tegen het dikke glas. Zijn onafgebroken woordenstroom had een ietwat holle, iets lagere klank gekregen door geluidsweerkaatsing van het glas. Eisenmann schoof het gammele, nog niet gerepareerde, Thonetstoeltje aan en bleef op zijn gemak naar de lawaaischopper zitten kijken. Nu probeerde het manneke weer tegen de dikke glaswand op te springen, maar deze was meer dan 75 centimer hoog en derhalve een onoverkoombaar obstakel. De weg naar zijn vrijheid was effectief geblokkeerd. Ja, neergestort in een reuzenwereld. Afkomstig, waarschijnlijk, uit de krochten van een nationaal socialistische dimensie, die door een wrede speling der natuurwetten een fractie van een seconde synchroon liep met het universum van Eisenmann. Een plan rijpte in het hoofd van de vermoeide joodse man. Hij keek nog eens zorgvuldig of het mannetje geen mogelijkheden tot ontsnappen had en liep vervolgens de schuur uit en zijn huis weer binnen. Hij had een krant bewaard. Een krant waarin een foto van een concentratiekamp stond afgebeeld. Auschwitz. Er stond ook een foto in van de stapels lijken van joodse mensen die de duivel niet meer had kunnen verbranden in zijn ovens. Hij pakte de krant uit de onderste lade van zijn oude eikenhouten bureau en sloeg hem open. Ja, daar waren de foto’s. Zijn ogen vulden zich langzaam met tranen. Zijn leven was voorbij. Hij had de hel overleefd, maar zijn leven was voorbij. Hij voelde niets meer. Hij bestond alleen nog. Maar toch die tranen, nu. Dat kwam door de hernieuwde confrontatie met de duivel, al was die duivel dit keer nog zo klein. Hij legde de krant weer weg. Zijn handen trilden. Met een onbeholpen gebaar veegde hij zijn tranen weg en vloekte een keer hartgrondig. Hij liep weer naar buiten. Hij moest tot rust komen en zou straks opnieuw kijken. Het was niet makkelijk. Door de geopende schuurdeur klonk gedempt het Duitse geschreeuw van het mannetje. Hij zou hem dood kunnen maken. Zo’n klein mannetje. Waarom niet?

Eerst een sigaret. Hij blies de sigarettenrook omhoog, de lucht in. Dan ging hij het schuurtje weer in. Zijn wangen waren bol van de verzamelde sigarettenrook. Met zijn hoofd vlak boven het terrarium blies hij de rook weer uit. Het mannetje schreeuwde even nog harder, maar begon vervolgens te hoesten en klapte dubbel van benauwdheid. Eisenmann moest lachen.

In de krant stond dus een afbeelding van een barak. Precies zo’n barak als waarin hij twee jaar had moeten verblijven in Auschwitz. In de schuur had hij nog hout. Mooi hout. Triplex en reeds geschuurde kleine balkjes die hij bedoeld had om een besteklade van te maken.

In het terrarium was het stil geworden. Het mannetje lag op de harde vloer van glas te slapen. Eisenmann zette wat water en een stukje brood in het terrarium. Ook had hij een grote ijzeren vingerhoed erin gezet die het mannetje als latrine kon gebruiken. Een washandje kon dienen als slaapplek. Hij nam het hout mee naar binnen, ging aan de keukentafel zitten en begon te knutselen. Hij gebruikte de figuurzaak en de lijm en bouwde de barak zo natuurgetrouw na. De deuren konden echt open en er zaten ramen in. De dagen gingen voorbij. De mininazi hield zich koest en maakte gebruik van de faciliteiten die hem door Eisenmann waren geboden. Het water in het schaaltje werd elke dag ververst en zo nu en dan kreek het ventje wat kleine stukjes fruit en reepjes slagersham.

Het barakje was klaar. Eisenmann zette het in het terrarium en legde een plank met gaten over de bovenkant van de glazen bak om te voorkomen dat de mininazi zou ontsnappen. Hij had een houten doosje gemaakt waarin het mannetje kon slapen. Ook had hij een tafeltje gemaakt met riempjes, waarop hij de kleine nazi kon vastbinden. De eerste maand liet hij het ventje met rust en hield hij zich bezig met het repareren van het vliegtuigje waarin het kereltje had gezeten toen hij verongelukte in de tuin.

Tijdens het loofhuttenfeest begon hij met zijn plan. De mininazi werd op het tafeltje vastgebonden en Eisenmann stak de bunsenbrander op de werkbank aan. Het brandende gas siste en loeide als vuur uit de hel. Een naald werd door Eisenmann in het heetste deel van de vlam gehouden en de punt begon al snel te gloeien. Eisenmann werkte zo dat het ventje alles kon zien wat hij deed.

Alras gilde de mininazi als een mager varkentje. Eisenmann hield de naald boven het buikje en deed verder niets. “Sag das es dich bereut” waren de eerste woorden die Eisenmann tegen het kereltje sprak sinds hij het manneke in zijn tuin had ontdekt. Het ventje gilde nog harder en riep: “Was soll diese quatsch bedeuten? Lass mich gefalligst in Ruhe. Das dürfen Sie mir nicht antun!”

Eisenmann prikte voorzichtig door het blauwe overalletje. Er kringelde wat rook omhoog en er verspreidde zich een lichte geur van aangebrand vlees. Het mannetje gilde als een mager speenvarken. “Sag das es dich bereut”, herhaalde Eisenmann. Het mannetje, door de felle verscheurende pijn bijna krankzinnig geworden riep: “Jawohl, jawohl, Ich bereue alles” Eisenmann haalde de naald weg en zei: “Morgen mag je weg. Ik heb je vliegtuig gemaakt. Het kan weer vliegen”.

Het ventje leed die nacht veel pijn door de diepe brandwond in zijn buik. Hij draaide om en om op zijn washandje en kreeg de ene nachtmerrie na de andere.

In het huis haalde Eisenmann zijn jachtgeweer uit de kast, maakte het schoon en stopte er twee hagelpatronen in en zette het vervolgens achter de keukendeur, klaar voor gebruik.

De volgende ochtend plaatste hij de mininazi in zijn opgelapte vliegtuigje, kreeg het motortje weer aan de gang en gooide het vliegtuigje vervolgens de lucht in. Eerst dreigde het vliegtuigje weer neer te storten, maar vlak boven de grond kreeg het voldoende momentum om uit een vrille te geraken en schoot het bijna loodrecht de lucht in. Al gauw zat het op zo’n vijftien meter hoogte. Op twintig meter, zomaar uit het niets begon de werkelijkheid te schuiven en ontstond een onstabiel wormgat met blauw knetterende, elektrisch geladen randen. Een opening naar die andere werkelijkheid. Het vliegtuigje schoot er op af. Inmiddels had Eisenmann zijn jachtgeweer geschouderd en haalde het vliegtuigje, toen het nog maar een paar meter van het wormgat was verwijderd, met een welgemikt schot neer. De resten dwarrelden naar de grond, het wormgat sloot zich weer. Eisenman begon te zoeken. Na enige tijd slaakte hij een zucht van opluchting. Hij zag het hoofdje van de mininazi in het gras liggen. Het was door een hagelkorrel op effectieve wijze van het rompje gescheiden.

Met het hoofdje tussen duim en wijsvinger geklemd liep Eisenmann de keuken weer in. Achter in de keukenkast bewaarde hij een zorgvuldig bewerkt kristallen flesje met een vrij ruime opening waarop een prachtig geciseleerde zilveren schroefdop past. In het gootsteenkastje stond een vergeten fles met een waterige oplossing van ethylalcohol (70%). Hij goot een beetje van het sterke water over in het kristallenflesje. Vervolgens liet hij het nazi-hoofdje in de vloeistof zakken, draaide de zilveren schroefdop er weer op en zette het flesje op het Kabinet naast het kleine glas-in-loodraam. De foto met de afbeelding van het concentratiekamp en de stapels lijken knipte hij uit de krant, plaatste haar in een kostbare zilveren lijst en zette deze ook op het kabinet, naast het op sterk water staande nazi-hoofdje. In de kantlijn van de foto had hij met potlood geschreven: “Is dit een mens?”

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Rave on. Just like Buddy Holly.

Ik werd wakker en dacht: Zingen!!!!!!

Wel is het zo dat ik door dit soort dingen een stuk minder serieus wordt genomen. En dat is eigenlijk maar goed ook. De boog kan niet altijd gespannen staan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Algemene inleiding in de filosofie van Spinoza.

Ethica. Benedictus Spinoza.

Ethica. Benedictus Spinoza.

Algemene inleiding in de filosofie van Spinoza.

R.J. Scholtens.

Inleiding.

Uit alle hoeken en gaten heb ik materiaal bij elkaar gezocht om dit verslag over de filosofie van Spinoza samen te stellen. Vaak heb ik ook zelf dingen bedacht. Mijn bedoeling is om na deze algemene inleiding mijn eigen kritiek op de filosofie van Spinoza te berde te brengen. Dat zal dan gebeuren in een zelfstandig essay of hoe je zoiets ook maar wilt noemen. Over zijn levensgeschiedenis heb ik op OBA al eerder geschreven. Ook heb ik toen, veel te summier overigens, iets over zijn filosofie gezegd, maar in een dermate krakkemikkige vorm dat door mij aan de essentie van zijn gedachtegoed geen recht werd gedaan. Ik heb gemerkt dat het beschrijven van Spinoza’s filosofie heel erg veel precisie vereist. En die taalkundige precisie ontbeer ik nog steeds. De kerngedachten van zijn, best wel lastige, filosofie heb ik me inmiddels min of meer eigen gemaakt, maar ik heb dus moeite om mijn “begrijpen” in exact de juiste woorden te vertalen.

Maar nu eerst dus wat ik van elders aan kennis bij elkaar gesprokkeld heb over de filosofie van die dekselse meneer Spinoza:

Benedictus Spinoza was geen echte professionele wetenschapper. Hij was meer een autodidact. Dat had zijn voordelen. Zo had hij geen banden met de officiële kerk, met een universiteit of met stadhouderlijke hofkringen, waardoor hij vrij en zonder last of ruggespraak kon opereren. Hij bleef daardoor ook authentiek en oorspronkelijk in zijn denken en gaf hij steeds weer blijk van een ongekende intellectuele zuiverheid. Maar een en ander had ook zijn schaduwkanten. Hij was controversieel en werd herhaalde keren beschuldigd van ketterij. Hij werd verstoten uit de joodse gemeenschap en verbannen uit de stad Amsterdam Hij werd voortdurend beschuldigd van ketterij door de horde schijnheilige vrome dogmatici die normaliter toch wel de dienst uitmaakte in de Republiek der Verenigde Nederlanden van de 17e eeuw.

Spinoza bleef door zijn gedachtegoed dus een buitenstaander waardoor hij een fris en radicaal perspectief op het (politieke en sociale) leven kon behouden. Hij was, door zijn immense denkkracht, in staat om de verwarring, het bijgeloof en de daaraan klevende vooroordelen te doorzien. Zaken die het dagelijkse leven in de 17e eeuw op een pregnante wijze doordesemden. Nu het gedachtegoed zelf.

Spinoza stelt dat God niet de schepper is van deze wereld. Deze wereld is echter wel een deel van God. Spinoza wordt sterk beïnvloed door de filosofie van de Stoa.

Velen noemen Spinoza een pantheïst. Dit wordt door Spinoza in alle toonaarden ontkend. Hij houdt vastberaden vast aan het verschil tussen God en de wereld. De oorspronkelijkheid van Spinoza is namelijk gelegen in de aard van eerdergenoemd verschil. God en de wereld zijn niet twee verschillende zaken, maar ze vormen twee verschillende aspecten van een enkelvoudige werkelijkheid.

Spinoza biedt een radicaal filosofisch alternatief voor de in ontwikkelde kringen vigerende Cartesiaanse filosofie. Overigens een filosofie die tot dan toe de intellectuele en culturele erfenis van de vroege verlichting vorm gaf, maar ook nu nog grote invloed heeft op ons filosofisch denken.

De filosofie van Spinoza is door en door praktisch. Het zijn niet louter intellectuele constructies, maar veelal directe verwijzingen naar bepaalde levenswijzen. In verband hiermede hangt de “redding” en de genade van iedereen samen met een ‘omschakeling’ van de geest naar een min of meer intuïtief begrijpen van God, van zijn aard en van zijn wetten.

Het gaat derhalve om het zich, door verwerving van adequate kennis, eigen maken van bepaalde rationele denkwijzen teneinde te komen tot bevrijding van de geest uit het spookhuis van illusies, drogredenen en dogma’s teneinde een waarlijk gelukkig leven te kunnen leiden in het volle besef van de rationele wetten der natuur die inherent zijn aan God.

Spinoza leidde zelf een vrijwel voorbeeldig leven. Betrouwbare bronnen spreken dienaangaande van bescheidenheid, zachtaardigheid, volstrekte integriteit, intellectuele moed, veronachtzaming van macht en rijkdom en het eigenlijk totaal ontbreken van wereldlijke ambities. Kom daar vandaag de dag nog maar eens om!!!

De bijbel spreekt over God als de schepper van de wereld en de regisseur van de menselijke geschiedenis. Spinoza verwerpt dus deze Bijbelse stelligheid. Hij beweert dat alles wat bestaat een aspect van God is en daarmede iets van zijn Goddelijke wezen tot uitdrukking brengt.

De “Tractatus Theologico Politicus” (1670) van Spinoza geeft een totaal vernieuwende verklaring van de inhoud van de Bijbel. Spinoza ondergraaft het gezag van de heilige schrift als waarheidsbron en zet veel vraagtekens bij de traditionele kennis van alle voorspellingen, wonderen en goddelijke wetten. De goddelijke voorzienigheid, zo stelt Spinoza, staat gelijk aan de loop der natuur. Deze natuur heeft een vastgestelde en eeuwige orde, waar niet van afgeweken kan worden. Wat gewoonlijk, op geleide van een misleidend antropomorfisme, de wil van god wordt genoemd, is in feite niets anders dan de onveranderlijke orde van de natuur.

Hieruit volgt dat de aanwezigheid en de aard van god niet wordt geopenbaard door wonderbaarlijke, bovennatuurlijke gebeurtenissen, maar door de aard, de wetten van de natuur zelf. Deze stellingname heeft uiteraard grote invloed op en enorme gevolgen voor de interpretatie en exegese van het oude en nieuwe testament van de bijbel. Spinoza is eigenlijk van mening dat ontwikkelde, gestudeerde mensen zich niet zomaar klakkeloos moeten laten leiden door deze volstrekt tegennatuurlijke fenomenen. Het merendeel van de inhoud van de bijbel is zuiver symbolisch bedoeld en daarom fictief.

Men kan zich voorstellen dat het poneren van dergelijke enormiteiten anno 1670 als pure ketterij werd beschouwd en Spinoza oogstte dan ook een storm aan protest en veroordelende uitspraken. Maar uiteraard houdt Spinoza voet bij stuk en wordt beschermd door het voor die tijd ongewoon tolerante intellectuele klimaat in de Republiek der Verenigde Nederlanden.

Spinoza stelt dat de natuur met zijn orde en wetmatigheid de essentie en het bestaan van god openbaart en dat deze conclusie niet anders dan rechtstreeks kan leiden naar de opvatting dat de natuur goddelijk moet zijn en derhalve ook als zodanig gewaardeerd dient te worden. De natuur ( en zijn wetten ) dient, juist omdat zij gelijkgesteld is aan God, met verschuldigde eerbied behandeld te worden. Het gaat dan ook niet aan om allerlei kermisachtige wonderen en flauwekul als bewijs voor het bestaan van God te beschouwen. Men dient God, en de inherente natuur met zijn wetten serieus te nemen.

Spinoza krijgt veel aanhang en invloed bij de grote romantische schrijvers en dichters van de 19e eeuw (

Zijn filosofie brengt de wetenschappelijke en romantische wereldbeschouwingen dichter bij elkaar. Zijn gedachtegoed zet aan tot liefde voor de wereld van de natuur, en het bevordert en vermeerdert het begrip van de mens voor de orde en de wetten van die natuur.

Wat God niet is.

In zijn postuum verschenen Ethica (1677) probeert Spinoza zijn lezers te bevrijden van de gevaren die er schuilen in het toeschrijven van puur menselijke trekjes en kenmerken aan God. Hij probeert het antropomorfisme in het geloof uit te bannen. Hij stelt dat het niet juist is om God voor te stellen als een subject met intelligentie en een eigen wil. De God van Spinoza is een totaal onpersoonlijke macht of kracht. God beloont niet en God straft niet. Dit inzicht, zo zegt Spinoza, bevrijdt het geloof van de angst en het eindeloze gemoraliseer.

God handelt niet op basis van redenen of bepaalde doelstellingen. Spinoza verwerpt de teleologische opvatting over God. Dit gaat rechtstreeks in tegen de dan heersende westerse opvattingen over God. Juist de gedachte dat een specifiek verschijnsel kan worden verklaard en begrepen in relatie tot of met verwijzing naar een bestemming, een plan of een bepaalde doelstelling was tot dan toe de hoeksteen de Aristotelische filosofie, dus ook van de middeleeuwse scholastici. De teleologie van Aristoteles en de Christelijke leer behelsde het idee dat God het universum en deze wereld had geschapen conform een bepaald plan.

De mens, zo vertelt Spinoza, is geneigd om zijn eigen geestesgesteldheid en gemoedstoestanden eveneens toe te dichten aan God, waarbij God dus begrepen dient te worden als een potentieel boze, liefhebbende, genadige of wraakzuchtige entiteit. En zo krijgt uiteindelijk ieder mens zijn eigen, persoonlijk vorm gegeven, god. Is meneer Spinoza dan een atheïst? Nee hoor, meneer Spinoza denkt welzeker dat de mens middels het adequaat gebruik van de alomvattende rede tot god kan geraken. Hij is van mening dat er een waarlijk begrip van God mogelijk is. Een begrip dat bereikbaar en toegankelijk is voor de menselijke intelligentie.

Spinoza wil zijn lezers bevrijden uit de kerkers van hun onwetendheid, teneinde hen via de allesomvattende rede dichter naar de glorie, het geluk van god te leiden.

Zoals gezegd, is hij dus niet simpelweg een atheïst of een platte criticaster van religie, noch is hij een sceptische agnost zoals David Hume. Integendeel, Spinoza plaatst de notie van God in het hart van zijn filosofie en hij beschrijft het ideale leven van een mens als een leven dat is toegewijd aan de liefde voor God.

Alles wat er is, is God.

God is oneindig en eeuwig, kent geen grenzen. De totale werkelijkheid moet noodzakelijkerwijs existeren binnen het begrip God. Wat stelt Spinoza in de plaats van de door hem afgewezen antropomorfische en antropocentrische god? In dat verband is het verstandig om eerst de filosofische terminologie van Spinoza te bezien. Hij gebruikt dienaangaande de volgende begrippen t.w. Substantie, modus en attributen. Hij is het niet eens met de filosofie van Rene Descartes. In de ogen van Spinoza bestaat er slechts één substantie en dat is God. Onder substantie verstaat Spinoza datgene wat alleen uit zichzelf begrepen kan worden. Modi en attributen zijn eigenschappen van deze enige en unieke substantie. Zij zijn daarom ook logischerwijze afhankelijk van deze enige en unieke substantie.

Descartes daarentegen kent drie op zichzelf staande substanties t.w. Uitgebreidheid, denken en god. Deze cartesiaanse filosofie geeft elke keer weer aanleiding tot het beruchte “geest – lichaam probleem”. Dus de dualiteit van de substanties geest en lichaam en hoe zij tot interactie kunnen komen. De cartesiaanse wijze van denken spreekt ons aan. Wij nemen in de door ons gekende werkelijkheid waar dat de wereld wordt bevolkt door afzonderlijke zaken, door op zichzelf staande dingen. Deze afzonderlijke zaken hebben hun eigen kenmerken en hoedanigheden.

Spinoza beweert dat er slechts een ongedeelde god is, die oneindig en eeuwig is. Dus kan er niets buiten of afgescheiden van deze god bestaan. Alles wat bestaat , bestaat binnen god.

Over de menselijke natuur.

God is de enige onafhankelijke, uit zichzelf verklaarbare entiteit. Er is niets anders. God is de natuur. God is de werkelijkheid, de enige en essentiële substantie.

Tot aan de tijd van Spinoza werd er door bijna iedereen van uitgegaan dat de mens beschikt over een vrije wil, zoals weergegeven en noodzakelijkerwijs voortvloeiende uit de tot dan toe toonaangevende Cartesiaanse filosofie. De filosofie die menselijke wezens dus als eigenstandige substanties ziet.

Spinoza echter, beschouwt de mens niet als een eigenstandige substantie, maar als een begrensde en eindige modus, gekenmerkt door twee attributen t.w. Uitgebreidheid (lichamelijkheid) en denken ( geest). Spinoza ontkent, en dat is erg belangrijk in de filosofie van Spinoza, dat er causale/logische relaties zijn tussen genoemde attributen. Hij beweert dat elk attribuut op zijn eigen wijze ten volle/volledig de werkelijkheid weer geeft. Het menselijk lichaam is een fysiek organisme dat de essentie van zijn specifieke “zijn” tot uitdrukking brengt in de vorm van het attribuut “uitgebreidheid”. En de menselijke geest is een intellectuele entiteit dat diezelfde essentie tot uitdrukking brengt in de vorm van het attribuut “denken”. Lichaam en geest zijn dus twee aspecten van een enkelvoudige werkelijkheid, net als kop en munt twee aspecten zijn van dezelfde medaille. De geest en het lichaam zijn één en dezelfde entiteit. Een persoon die zich de ene keer uitdrukt middels het attribuut ‘denken’ en de andere keer middels het attribuut van de ‘uitgebreidheid’.

Dit is dus in tegenspraak met Descartes die de mens primair ziet als een denkend wezen en waarbij ‘het denken’ evident prevaleert boven het fysieke, boven de factor van de “uitgebreidheid’. De moderne wetenschap is hieraan op zijn beurt weer volstrekt tegengesteld. De moderne wetenschappers beschouwen het menselijke wezen primair als een zuiver fysieke entiteit en proberen daarom uit alle macht alle geestelijke activiteit van de mens te reduceren tot zuiver fysieke processen (‘Wij zijn ons brein”).

Spinoza ontkent dus de vrije wil. Als de mens een modus is en geen substantie, zoals bij Rene Descartes, dan kan de mens nooit zelf-bepalend zijn. Het menselijk lichaam is een onderdeel van een netwerk van fysieke causaliteit en de menselijke geest is onderdeel van een netwerk van puur logisch/redelijke verhoudingen. M.a.w. Zowel onze lichamelijke handelingen als ons denken worden begrensd, beperkt en bepaald door zekere wetten. Voor Spinoza is het geloof in de vrije wil net zo goed een teken van onwetendheid en bijgeloof, als voor hem het geloof in de tegennatuurlijke wonderen van god dat ook is.

Het begrijpen van emoties.

Door het begrijpen van en door het inzicht verkrijgen in zijn/haar emoties, ongeacht of ze nou positief of negatief zijn, wint de mens aan kracht en derhalve aan geluk, aldus onze vriend Spinoza. Het bestuderen van de emoties vindt bij Spinoza op min of meer mathematische en uiterst rationele wijze plaats. Hij acht de werking van de emoties, het gevoel van de mens net zo natuurlijk en aan natuurlijke wetten onderhevig als alle andere modi die zich manifesteren vanuit die ene substantie. En omdat dat zo is kunnen ze dus met bijna mathematische precisie worden bestudeerd. Dit houdt in dat het menselijk gedrag, dat zo dikwijls zijn oorzaak vindt in de emotie, op geleide van de door de natuur gegeven rede volstrekt verklaarbaar kan worden gemaakt of in ieder geval verklaarbaar zou moeten zijn. Zonder de teugels van de rede lijken onze emoties een eigen leven te leiden. Het louter leven op basis van emoties geeft vaak aanleiding tot een misplaatst moraliserende attitude. Spinoza acht het veel vruchtbaarder om te komen tot het verkrijgen van inzicht in de aard van onze gevoelens, dan om deze gevoelens (van anderen, maar ook van jezelf) te haten of belachelijk te maken. Volgens Spinoza begrijpen we iets pas volledig als we weten waardoor het wordt veroorzaakt en hoe dienaangaande het proces der causaliteit verloopt.

Spinoza beweert vervolgens dat iedere individuele entiteit ernaar streeft om in zijn/haar bestaan te volharden. Om te leven hebben we kracht, energie nodig en omdat externe invloeden kracht kunnen verminderen, proberen we niet alleen deze kracht te behouden, maar streven we er ook naar om hem te vermeerderen. Zulk een streven wordt door Spinoza ‘conatus‘ genoemd, een zeer bekend begrip binnen de filosofie (In early philosophies of psychology and metaphysics, conatus (/kˈntəs/;[1] Latin for “effort; endeavor; impulse, inclination, tendency; undertaking; striving”) is an innate inclination of a thing to continue to exist and enhance itself.[2] This “thing” may be mind, matter or a combination of both. Over the millennia, many different definitions and treatments have been formulated. Seventeenth-century philosophers René Descartes, Baruch Spinoza, Gottfried Leibniz, and Thomas Hobbes made important contributions.[3] The conatus may refer to the instinctive “will to live” of living organisms or to various metaphysical theories of motion and inertia.[4] Often the concept is associated with God’s will in a pantheist view of Nature.[3][5] The concept may be broken up into separate definitions for the mind and body and split when discussing centrifugal force and inertia.[6]

The history of the term conatus is that of a series of subtle tweaks in meaning and clarifications of scope developed over the course of two and a half millennia. Successive philosophers to adopt the term put their own personal twist on the concept, each developing the term differently such that it now has no accepted definition.[4] The earliest authors to discuss conatus wrote primarily in Latin, basing their usage on ancient Greek concepts. These thinkers therefore used “conatus” not only as a technical term but as a common word and in a general sense. In archaic texts, the more technical usage is difficult to discern from the more common one, and they are also hard to differentiate in translation. In English translations, the term is italicized when used in the technical sense or translated and followed by conatus in brackets.[7] Today, conatus is rarely used in the technical sense, since modern physics uses concepts such as inertia and conservation of momentum that have superseded it. It has, however, been a notable influence on nineteenth- and twentieth-century thinkers such as Arthur Schopenhauer, Friedrich Nietzsche, and Louis Dumont.) Met dank natuurlijk aan meneer Wikepedia!!!

Spinoza beweert dat deze conatus niets anders is of kan zijn dan de essentie van het object/de zaak in kwestie. Zo wordt in de filosofie van Spinoza dat wat het object/de zaak is, identiek gesteld aan zijn kracht, aan zijn energie, zijn levenskracht. De begrensde, eindige kracht van een individu – de denkkracht van de geest en de lichaamskracht om te handelen – is wisselend van intensiteit in de tijd gemeten. Spinoza zegt dat het geluksgevoel stijgt naarmate het gevoel van levenskracht toeneemt en dat het gevoel van verdriet of ‘ongelukkig zijn’ stijgt als de (levens-)kracht afneemt. Dit betekent dat onze poging om te volharden in ons bestaan tegelijk een streven naar geluk of genot inhoudt. Dat wat onze kracht doet toenemen maakt ons gelukkig en dat zorgt er tevens voor dat we het waarderen als ‘goed’. Ik vind het opmerkelijk hoe dicht Spinoza hier de evolutiebiologie benadert.

Spinoza beschouwt geluk en verdriet als twee basale gevoelens en beweert dat alle andere gemoedstoestanden variaties zijn op het thema ‘geluk’ en ‘verdriet’, uiteraard in combinatie met ideeën van/over bepaalde objecten/dingen of zaken die ze veroorzaken. Het is derhalve belangrijk dat wij inzicht verkrijgen in onze gevoelens, want zonder de kennis hetwelk dit inzicht ons oplevert kunnen emoties, gevoelens ons al gauw tot een last worden, terwijl het begrijpen van gevoelens of emoties een vormende en kracht bevorderende uitwerking heeft. “Een emotie die louter hartstocht, passie is, houdt op een hartstocht, passie te zijn, zodra we in staat zijn om ons op geleide van de rede een duidelijk en helder idee te vormen over die hartstochten en passies”. Aldus Spinoza zelf!

Spinoza gaat zelfs zover te stellen dat het doorzien/begrijpen van emoties inherent gelukkig maakt, ongeacht de aard van deze hartstochten. Het verkrijgen dus van inzicht in de werkelijke (wetenschappelijk te toetsen) redenen van verdriet, boosheid en drift zou bevredigend werken en daarom op een bepaalde manier gelukkig maken. Bij dit alles werd Spinoza sterk beïnvloed door de filosofie van Aristoteles, Plato en met name door het gedachtegoed van het stoïcisme.

Over de ethiek van het zelf.

De belangrijkste hindernis op weg naar de deugd is voor Spinoza niet “egoïsme” maar de onwetendheid met betrekking tot onze ware aard. Door egoïstisch te zijn kunnen we in feite anderen helpen. Het reeds eerder genoemde begrip ‘conatus’ suggereert dat we in fundo niets anders dan egoistisch kunnen zijn, dat wij altijd streven naar ons eigen belang. Hoe is dit dan weer te rijmen met het begrip “moraliteit” ? In de ethica van Spinoza is het streven naar de vervulling van het eigen belang gekoppeld aan iets dat lijkt op moreel relativisme. In het vierde boek van de Ethica stelt Spinoza dat ‘goed’ en ‘kwaad’ geen intrinsieke waarden zijn. Hij is van mening dat wij de begrippen ‘goed’ en ‘kwaad’ moeten zien in analogie met de begrippen ‘gezond’ en ‘ongezond’ d.w.z. Wat van al dan niet van waarde voor mijzelf is is een kwestie van wat goed of slecht voor mijzelf is. Iets, een zaak, een object, kan tegelijk slecht zijn en goed, maar ook neutraal. Spinoza ontkent dus het bestaan van absolute morele waarden. Hier bouwt Nietzsche later op voort. Maar dit wil allemaal nog niet zeggen dat de ethiek van Spinoza enkel en alleen gebaseerd zou zijn op de strevingen, de meningen en vooroordelen van het individu. Zo’n bewering zou hij met kracht van zich werpen!

En hiermede keren we dus terug naar de notie van de “objectieve ethische waarden”.

Spinoza is van mening dat kennis, begrip en redelijk inzicht ten grondslag moeten liggen aan het goede leven van de mens. Als we het woord ‘moraal’ maar niet op een dogmatische wijze koppelen aan of associëren met “absolute waarden” Spinoza benadrukt dat hoe meer elk individu in staat is om zijn eigen voordeel te zoeken, des temeer hij begiftigd zal worden met “de deugd”; het omgekeerde is ook waar, zegt hij.

Als we streven naar wat waarachtig tot ons voordeel strekt – in tegenstelling tot wat we vermoeden dat tot ons voordeel strekt – versterken we zowel het bestaan van anderen als dat van onszelf. Net als Socrates beweert Spinoza dat er eigenlijk helemaal geen conflict bestaat tussen eigen belang en moraliteit, tussen egoïsme en altruïsme.

Het toverwoord is hier toch “De Rede”. Er is iets wat alle mensen gelijkelijk delen en dat is de rede. Onze werkelijke aard/natuur verkrijgt zijn vorm onder werking van de rede. De rede die doet inzien hoe alles binnen ons universum met elkaar is verbonden. “Hoe meer iemand zijn eigen voordeel tracht te bereiken en er naar streeft zichzelf te behouden, des temeer zal hij begiftigd worden met de deugd. Hoe groter zijn kracht is om te denken en te handelen volgens de wetten van zijn eigen aard/natuur en hoe meer hij in staat is om te leven op geleide van de ‘rede’, des te deugdzamer zijn leven zich zal ontwikkelen. Men kan spreken van: Leven van en door de rede.

Belangrijk is wel te beseffen dat Spinoza het niet heeft over de rede als een beperkt intellectueel begrip. Spinoza heeft een diepere, meer geestelijke en fijnbesnaarde soort wijsheid voor ogen. Misschien iets wat we tegenwoordig emotionele intelligentie noemen. Het hangt samen met het op adequate wijze bewust zijn van jezelf. Het besef dat iedere zaak deel is van een groter geheel.

Noot.

Dit is mijn samenvatting van de filosofie van Spinoza. Het vervelende is dat ik, omdat ik de gegevens uit alle hoeken en gaten heb moeten halen, er nog niet goed in geslaagd ben om deze filosofie echt helemaal met mijn eigen woorden te beschrijven. Ik heb de uitleg van anderen zo goed mogelijk vertaald met mijn eigen woorden doch dat is in mijn ogen zeker niet de ideale manier om de filosofie van Spinoza weer te geven zoals ik deze zelf voel en denk.

Mijn geheel eigen interpretatie van Spinoza’s gedachtegoed volgt nog (in 2016) evenals mijn kritiek op deze filosofie.

Nb.

Nagekomen bericht.

Mijn echtgenote vraagt zich af waarom ik toch steeds zulke grote lappen tekst op mijn blog zet. ‘Dat leest toch geen hond!’, zegt zij. Ik antwoord dan, dat weet ik wel, maar ik zie het meer als een soort opslag voor mijn teksten. Vroeger sloeg ik mijn teksten op bij Hyves, maar Hyves is door de grillen der vrije markt roemloos ten onder gegaan en nu doe ik het dus hier. En trouwens, soms krijg ik het idee dat er best wel mensen zijn die mijn stukjes lezen (als ik de statistieken tenminste moet geloven). En om de een of andere reden vind ik het een leuk idee als de mensen mijn teksten lezen. Maar dit stuk over Spinoza is voor de moderne gehaaste mens wel erg veel, nog afgezien van het feit dat ik eigenlijk niemand in mijn omgeving ken die ook maar enige belangstelling voor de filosofie van die goeie ouwe Spinoza kan opbrengen. Ik zal het dus helemaal uit mijzelf moeten halen. Mijn volgende project wordt de bestudering van het leven en het werk van meneer Immanuel Kant uit Koningsbergen. Waarschijnlijk wordt dat nog een veel langere lap tekst. Ik vind het prachtig om over al die oude denkers te lezen, ze te doorgronden en er mijn eventuele kritische aantekeningen bij te maken. Je hoeft echt niet de hele wereld af te reizen om spannende avonturen te beleven.

6 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Uit de serie absurdistische verhalen: Keiharde zelfkritiek van een interstellaire handelsreiziger in innovatieve bio-technieken.

Grote getijdenverschillen, denk ik.

Grote getijdenverschillen, denk ik.

Als ervaren interstellair reiziger heb ik altijd veel hinder gehad van mijn eigenzinnigheid. Sinds het eerste wormgat productief kon worden gemaakt in de buurt van Uranus zijn wij in staat gebleken om via zorgvuldige navigatie vele honderden bewoonbare planeten te lokaliseren en om duizenden ver verwijderde sterrenstelsels te onderzoeken. Op dit moment, het jaar onzes heren 2392, zijn we er in geslaagd om meer dan honderd terra-achtige planeten te bevolken met levensvatbare kolonies. Sommige planeten zijn ware paradijzen. Ik ben inmiddels 89 jaar oud en nog in een goede conditie. Ik doe mijn werk in de agro-business en ben een vermogend man. Maar ja, die eigenzinnigheid. Moeilijk, moeilijk. Mijn persoonlijke psychorobot raadde mij aan om alles eens op papier te zetten. Een soort biecht of getuigenis. Het zou zeer bevrijdend werken, dacht hij. Dus hieronder volgen mijn ontboezemingen door mij op ‘schrift’ gesteld tijdens de reis naar de omloopbaan om Uranus alwaar wij de overgang zullen maken naar Schaffner III, een planeet iets groter dan de aarde, maar met een iets geringere zwaartekracht. Een planeet met een wat kouder klimaat, met veel zuurstof en een altijd groene begroeiing rond zijn evenaar en uitgestrekte ijsvelden op de gematigde breedten. Er is weinig water in vloeibare vorm en het water dat er is is zoet en verdeeld over een aantal hele grote meren die rond de evenaar liggen. Onze bestemming is Nieuw Berlijn, een welvarende zelfvoorzienende kolonie van ongeveer driehonderdduizend mensen met een zeer geavanceerde technische cultuur. Ik ga daar proberen om nieuwe bio-technieken aan de man te brengen. Men kan mij gevoeglijk beschouwen als een soort dolgedraaide interstellaire handelsreiziger. De laatste tijd gaat het niet zo lekker met mij. Er zijn veel zaken die me dwars zitten. Ik weet dat ze eigenlijk niet reëel zijn. Maar ze benauwen me wel!! Daarom nu eerst mijn gênante biecht, mijn onthullend en beschamend emo-exhibitionistisch demasqué, maar u dient, voordat u zich ter lezing zet, te weten dat veel van mijn hartstocht besloten ligt in de literatuur, de taal en het taalgebruik:

“Ik constateer dat ik op de meeste mensen overkom als een kwalijke dwarsligger en een disruptieve stoorzender. Mijn aanwezigheid in een willekeurig gezelschap werkt meestal ontwrichtend en men ziet mij dan ook liever gaan dan komen. Waarom? Omdat ik mijn eigen verhaal altijd de boventoon laat voeren tenminste als men mij daartoe de ruimte laat. Daar komt nog bij dat ik een vrij penetrante en luide stem heb, die er qua volume, toonhoogte en timbre op uit lijkt te zijn om vermeende belangrijkheid en zichzelf toegedichte voortreffelijkheid van gesprekspartners op bruuske en ontluisterende wijze te negeren dan wel te minimaliseren. Daarnaast is het aandachtig en betrokken luisteren naar anderen niet mijn sterkste kant. Ondanks goede voornemens recidiveer ik zonder mankeren steeds weer naar de potsierlijk narcistische neiging om binnen een geanimeerde discussie de eigen egoverhalen op mijn geheel eigen wijze over het voetlicht te brengen. Deze verhalen bestaan meestal uit ‘van-de-hak-op-de-tak-achtig’ verwoorde, wetenschappelijke exposés over theoretische fysica of over door mij ontdekte geopolitieke bewegingen binnen de geschiedenis. En steeds weer blijken het onderwerpen te zijn die, te oordelen naar de uiterst verveelde houding van mijn toehoorders, voor hen kennelijk niet bijster interessant zijn. Een houding die, op zijn beurt, hoogstwaarschijnlijk weer zijn oorzaak vindt in het feit dat de meeste discussiepartners slechts geïnteresseerd zijn in eigen verhalen of slechts in onderwerpen die geheel of zijdelings op de eigen persoon betrekking hebben. Meestal betreft het dan zeurend geneuzel dat, het moet toch even gezegd worden, net zo vervelend, zo niet nog vervelender is dan mijn eigen saaie hak-op-de-tak-achtige blaaskaakgeloei. Kortom: ik slaag er steeds weer in, om potentieel interessante en door mijzelf, op enthousiaste wijze, aangesneden gespreksonderwerpen uiteindelijk effectief te smoren onder de verstikkende ego-deken van mijn persoonlijke anekdotes en aanmatigende beweringen.

In feite ben ik dus de zoveelste primitieve platschedel die onophoudelijk informatie wil verstrekken waar niemand op zit te wachten . Ik wil verhalen vertellen, maar ik ben niet bij machte om mijn toehoorders te boeien. Tijdens de, door dit jammerlijke falen afgedwongen, geestelijke retraite, zwerf ik dan maar, bij gebrek aan beter, door de doolhoven mijn eigen geest en verzin ik de gekste dingen. Maar in de wereld van de menselijke interactie ben ik blind en doof. In die ambiance ben ik helemaal niemand, ben ik niet boeiend en zou men mij zelfs een uiterst irritante ‘quantité négligable’ kunnen noemen. Ik voel mij als een slecht getrainde Mexicaanse hond. Ik beschik best wel over wat wetenschappelijke kennis. Ik kan verbanden leggen. Maar ik overdrijf. De gerechtvaardigde angst voor mijn medemensen maakt dat ik steeds meer overdrijf, dat ik opschep en mijzelf, volstrekt ten detrimente van mijn geloofwaardigheid, als brulbrallende blaaskaak manifesteer. Ik beweer en beargumenteer met grote bombastische en pompeuze gebaren en met stellige woorden. Mijn persistentie bij het etaleren van eigendunk en mijn schaamteloze verkondiging van, voor anderen, irrelevante en niet te verifiëren enormiteiten, is uitgegroeid tot een van mijn specialiteiten.

Maar als je jezelf op die uitgesproken wijze wenst te presenteren dan kan het niet anders zijn dan dat zoiets ten koste van jezelf gaat. Als je, in weerwil van je ver dragende en onsympathieke schreeuwstem, in die vijandige en angstaanjagende gesprekken toch wat liefdevolle bescherming of een beetje waardering probeert te bemachtigen, dan kom je van een koude kermis thuis. Want het is juist binnen een dergelijk kwaadaardige krachtenveld dat de, door rancune en frustratie vergiftigde, cynische toehoorders, sarcastisch, smalend en op neerbuigende wijze de oppervlakkige twijfelende schreeuwer met het zwaard der ironie afslachten.

Bovengenoemde inadequate en potsierlijke presentatie van je eigen persoon is er, volgens de ijzersterke wetten van de sociale interactie en metacommunicatie, eenduidig de oorzaak van dat jouw toch al wankelende, negatieve zelfbeeld onder de cynische, smalende en sarcastische mokerslagen van sterkere, arrogantere en intelligentere karakters, tot het grove gruis van leugens en incoherente onzin wordt verpulverd, zijnde de diffuse en toxische grondstof waaruit jouw woorden nou eenmaal altijd lijken te bestaan.

Daarom zou ik me eigenlijk geleidelijk moeten terugtrekken van alle door mensen bewoonde werelden. De onverdraaglijke en onsympathieke oppervlakkigheid van mijn afstotende egocentrische persoonlijkheid dwingt mij tot het overwegen van dit soort drastische maatregelen.

Eén ding in deze is mij echter tot troost, namelijk de constatering en wetenschappelijk te bewijzen stelling dat ik goddank niet de enige persoon op alle bewoonbare werelden ben met een oppervlakkige, egoïstische en super materialistische persoonlijkheidsstructuur. Sterker nog, betrouwbare statistieken laten zien dat meer dan 90% van de totale mensheid met deze uiterst negatieve eigenschappen is behept. Er is gelukkig wel een duidelijk verschil tussen mij en al die anderen. Aan mij is namelijk op geleide van onbarmhartige zelfanalyse en grondig introspectief onderzoek van mijn persoonlijkheidsstructuur een groot en wijds zelfinzicht ten deel gevallen met behulp waarvan het mij gegeven is om mijn eigen extreme onbelangrijkheid, mijn alledaagse en sterk ik-gerichte attitude te kunnen onderkennen c.q. te willen evalueren. Wat dat betreft ben ik, denk ik, wel min of meer een witte raaf, want dit inzicht is bij veel anderen, wegens het ontbreken van voldoende introspectief vermogen, niet eens rudimentair aanwezig. De meeste mensen die ik ken zijn zeer bekommerd om de indruk die zij op anderen maken. Derhalve hebben zij zichzelf noodgedwongen opgetuigd met de opzichtige parafernalia van de (misplaatste) eigendunk. De meeste mensen, zo leert mij de ervaring, zijn er ten stelligste van overtuigd dat hun, in werkelijkheid uiterst nietige mus, een machtige en dominante adelaar is. Wat dit aangaat zit ik dus, gedwongen door mijn kritisch introspectief vermogen, toch wel duidelijk anders in elkaar en onderscheid ik me hierin godzijdank van mijn vaak zo extreem geborneerde medemens. Deze constatering mijnerzijds laat niet na mij steeds weer grote vreugde te schenken. En trots natuurlijk. Staat u mij toe om nog maar weer eens een door de eeuwen heen tot op het bot afgekloven cliché uit de kast te trekken: ‘Als je niet van jezelf houdt, dan kun je ook niet van een ander of van de werelden houden’. Ja mensen, in weerwil van al mijn inktzwarte eigenschappen heb ik mijzelf en dus ook u lief, ondanks mijn sterke vermoedens dat u op zulk een affectie, na lezing dezes, waarschijnlijk niet zit te wachten.

Het is mij een behoefte geworden om diepgaand na te denken over mijn overtuigingen en mijn daaruit voortvloeiende handelingen.

Ik heb twee opties. Doorgaan met de flauwekul, of mij geheel terugtrekken uit de wereld van schijnheiligheid en zelfverheffing. Een wereld, waarin de meesten van mijn medemensen, naar ik elke dag weer moet constateren, kennelijk kritiekloos geloven. Zij raken blijkbaar nooit uitgekeken op hun eigen voortreffelijkheid.

Dat andere mensen ook heel vervelend en oninteressant zijn vergoed natuurlijk wel veel. Het maakt mijn leven een beetje draaglijker. Gedeelde smart is immers halve smart. Maar leuk is anders.

Er moet dus wat gebeuren!

Okay, u heeft daarnet een ietwat vervreemdende biecht gelezen. Dat is wat de oneindige en ledige ruimte met je kan doen! En eigenlijk, nu ik het weer lees, is het best wel een ergerniswekkend en verontrustend bericht. Geschreven toen ik, voor de zoveelste keer op een interstellaire reis, weer eens een fikse aanval van weltschmerz had. Het lijkt een eerlijk verhaal, maar ik laat stiekem een heel scala aan feiten en gemoedstoestanden weg. Dus, helemaal eerlijk was ik nou ook weer niet. Daarom allereerst even iets over de vorm van het bovenstaand artikel.

Het is een bijzonder pompeus, bombastisch en verward geschreven exposé als je het tenminste legt langs de meetlat van de taalopvattingen anno 2392. Ik construeer immers idioot lange zinnen met bijzinnen en wat niet al. Al met al vreselijk ouderwets en totaal overbodig volgens de moderne lezer van de 24ste eeuw. En in dat verband hoef ik alleen maar te verwijzen naar de romans van veel bekende Russische schrijvers uit de bloeiperiode van de Russische literatuur omstreeks de tweede helft van de 19de eeuw en, natuurlijk niet te vergeten, naar de wereldberoemde auteurs uit de Nederlandse literaire bloeiperiode van de laat eenentwintigste eeuw. Over bloemrijke taal gesproken! Voor het merendeel van de huidige hippe en trendgevoelige mensen vormt het werk van de oude 19de eeuwse Russische literatoren en de suffe breedsprakige taal in de boeken van de latere Nederlanders een doodsaaie en onvoorstelbaar ondoelmatige ‘woordenbrij’ die al helemaal niet overeenkomt met de eigentijdse, ietwat primitief simpele opvatting over wat literatuur anno 2392 dient te zijn. Ik daarentegen, als notoire dwarsligger en culturele stoorzender, ben gek op die ouderwetse, gedateerde en eeuwenoude woordvaardigheid die er op perfecte wijze in slaagt om met barok gebruik van de bouwstenen der taal op gedegen en schier ambachtelijke wijze iets moois en ontroerends te creëren. Daarbij zij aangetekend dat bij mij stijl, formulering en artistiek gebruik van de taal prevaleert boven de inhoud van een essay of roman. Net als een beeldhouwer uit een ruw stuk marmer een prachtige en verfijnde sculptuur kan maken zo probeer ik zelf ook uit een hoeveelheid woorden een mooie zin of een sfeerbeeld te scheppen. Ik hecht dus ook zeer veel waarde aan ambachtelijkheid bij het construeren van verhalen. En zo’n geneigdheid staat tegenwoordig, zoals reeds eerder gezegd, in de ogen van veel moderne mensen gelijk aan vloeken in de kerk. Het lijkt erop dat er steeds minder mensen zijn die nog echt waarde hechten aan de kwaliteit van het taalgebruik (de stijl, de formulering, de grammatica etc). Bijna iedereen is met het nuttigheidsvirus besmet geraakt. Dit betekent voor de taal: super korte zinnen, eenvoudig woordgebruik, absoluut verbod op gebruik van bijvoeglijke voornaamwoorden, vermijden van ‘moeilijke’ woorden, geen omhaal van woorden, volstrekte ondergeschiktheid van de grammaticale juistheid aan de duidelijkheid, de betekenis van het geschrevene

De verzakelijking, de totale robotisering van de planeet aarde en de kolonisatie van honderden exoplaneten vereist een steeds grotere doelmatigheid. Ook als het om taalgebruik gaat. De voortdurend groter wordende kaste van calculerende anti-intellectuele taalbarbaren die zich al eeuwenlang laaft aan de hersenspoelende marketing van betweterige meten-is-weten-managers (onze huidige bestuursrobots) komt deze taalverarming goed van pas want het maakt dat zij hun boodschap, hoe krom het taalgebruik ook is, overal in het ons bekende universum kort en duidelijk kunnen overbrengen. Spelfouten en stijlfouten zijn niet langer belangrijk meer. De ziekelijke technocratische drang naar vereenvoudiging en debilisering van de taal heeft inmiddels dus al meer dan twee eeuwen zijn verwoestend werk gedaan in de wereld van de literatuur. Het taalgebruik wordt op bijna exponentiële wijze versimpeld en ondergeschikt gemaakt aan de inhoud van het verhaal of het bericht. Al is het taalgebruik nog zo krom en primitief, als de inhoud maar lekker spannend en helder wordt gecommuniceerd. Dit streven lijkt het nieuwe ideaal van de moderne literatuur te zijn. Geen overbodige, ouderwetse formuleringen of stijlvormen meer, maar het lekker eenvoudig weglezende Inter-Engels van de taalbarbaar. Geen woord teveel!

Ik, als liefhebber van mooi en juist taalgebruik, reageer daarop met overdrijving. Ik hanteer het wapen van de provocatie en ga derhalve van de weeromstuit overdreven veel adjectieven gebruiken, maak expres ingewikkelde lange zinnen en probeer anderszins manieren uit om de moderne lezer te sarren en te ergeren. Maar het is een strijd tegen windmolens en gelijk Don Quichotte (wie kent hem anno 2392 nog?) wordt ik door dit schaduwgevecht het onderwerp van spot en hoon.

Tot zover dus mijn kritiek op de taalkundige vormgeving van wat men tegenwoordig literatuur durft te noemen.

Over inhoud van discussies, debatten en verhalen wil ik ook nog iets zeggen. Ik hecht eraan mede te delen dat ik in het contact met anderen eigenlijk nooit echt geboeid raak door persoonlijke verhalen of oppervlakkige, doorzeurende lulkoek. Mijn gespreksonderwerpen moeten enige diepgang hebben en, als het maar even mogelijk is, toch wel gebaseerd zijn op een minimum aan wetenschappelijke argumentatie. Praatjes over persoonlijke ditjes en datjes, over koetjes en kalfjes probeer ik zoveel mogelijk te vermijden. Maar ben ik eenmaal verzeild geraakt in een interessant gesprek dan kan het voorkomen dat ik uit puur enthousiasme de ander in de reden val, luid ga spreken en met mijn armen ga wapperen. En dat is natuurlijk niet zo mooi. Dat is zelfs beschamend. Ik wil namelijk coûte que coûte mijn zegje doen en wens kennelijk niet op mijn beurt wachten. Het is een ergerlijke karakterfout die niet meer valt te herstellen. Zelfs niet met relativerend zelfinzicht”.

En zo geviel het dat ik, een ordinaire, geborneerde nouveau-riche en platte handelaar in nieuwe biotechnieken, op 12 februari van het jaar onzes heren 2392 aan boord van Hare Majesteits Discovery XI door een uitgelezen gezelschap bekende schrijvers – de jaarlijkse culturele afvaardiging uit Eurazië uitgenodigd door de literaire salons van Nieuw Berlijn – op een bijzonder snaakse wijze in het ootje wordt genomen. Ik was, in de comfortabele luxueuze lounge van het kilometerslange ruimteschip, net goed op gang gekomen met mijn niet aflatende klaagzang over alles wat in mijn ogen niet deugde toen men het moment achtte gekomen om een punt te zetten achter mijn niet aflatende, licht agressieve, edoch slaapverwekkende tirades. Het moet een vooropgezet plan zijn geweest!! Mijn reputatie was mij blijkbaar vooruit gesneld. Dat kan bijna niet anders.

Met zijn allen komen ze op mij af. Reflexmatig blijf ik nog doorkwaken over kommer en kwel, over mijn ergernissen en over allerlei universele zwarigheden. Maar men grijpt mij kordaat vast en knevelt mij op vrij hardhandige wijze, waardoor mijn blaaskakerij abrupt verwordt tot dof gebrom en gesteun. Het literaire gezelschap plaats mij onder de stiltekap en gaat in een kring om mij heen zitten. Ik bereid me op het allerergste voor. Ik kan hen nog wel verstaan, maar zij kunnen mij niet meer horen. En wat ik vrees gebeurt; zij beginnen een koetjes en kalfjes-marathon die 48 uur moet gaan duren. Ik ben gedwongen te luisteren, of ik nu wil of niet. Aan mij trekken urenlange verhalen voorbij over opa’s, oma’s, kleinkinderen, echtscheidingen, abortussen, vakanties, voetbalvechten, huisdieren en wat niet al aan onbenulligheden en flauwekul. Ik krijg, nadat ik zo’n twaalf uur onafgebroken oppervlakkige ditjes en datjes heb moeten aanhoren, felle wegtrekkers. Het is me teveel geworden. Ik begin te hallucineren, sla echte wartaal uit en kom terecht in een ernstige acute psychose. Met behulp van Zweedse onrustbanden moet ik in bedwang worden gehouden. Het uitgelezen gezelschap literaire schrijvers lacht zich een kriek, en men spreekt onder elkaar van een bijzonder goed geslaagde grap.

In Nieuw Berlijn wordt ik onmiddellijk opgenomen op de psychiatrische afdeling van het algemene ziekenhuis aldaar en intensief met elektroshocks behandeld. Langzaam wordt ik weer mezelf en na vele maanden kan ik mijn arbeid geleidelijk weer ter hand nemen. Ik doe in Nieuw Berlijn, ondanks die wrede onderbreking, toch erg goede zaken. En ja, ik moet er nog wel eens aan denken als ik een goed boek lees.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized