Maandelijks archief: november 2011

Het reizende vaudevilletheater van de allesomvattende Liefde.

De kerk op de berg.

Primitieve pelgrimskunst

Grote gebieden zijn niet toegankelijk. Zij lichten ’s nachts blauw op. Als je die gebieden betreedt zul je een langzame en pijnlijke dood sterven. Zegt men. De klikkastjes waarschuwen ons. Het zijn prachtig bewerkte houten kistjes met een opening in de bovenkant. Uit die opening klinken de venijnige klikjes als er gevaar dreigt.
Wij zijn net aangekomen bij een nederzetting gelegen aan een groot meer. Je kunt de overkant niet zien. Ten zuiden van ons, aan de kust, bevindt zich het gebied van de blauwe straling. Wij moesten er helemaal om heen reizen. Onze paarden worden uitgespannen. De wagens worden in een kring geplaatst en midden in de kring wordt een vuur aangelegd. Malvitz en Benzdorf gaan op weg naar de nederzetting. Maar zie, men komt ons al tegemoet. Wij hebben ons allemaal buiten de kring van wagens opgesteld en heffen ons welkomstlied aan. Wij evoqueren bont gekleurde wondervogels en geruststellende achtergronden in afwisselende pastel-achtige tinten. De dorpsbewoners blijven met open mond staan en zinken luid jammerend op hun knieën. Malvitz spreekt wijze en sussende woorden. Hij praat over het lichaam en de geest. Hij kondigt nieuwe wonderen aan en begeeft zich met een geruststellende pose en strelende troostende woorden tussen de geschrokken mensen. Hij praat over ons reizende vaudeville theater der Liefde. Hij praat over de wonderen die wij kunnen bewerkstelligen en over de “nieuwe mens” voor wie die wonderen vanzelfsprekend zijn. Hij weet de dorpelingen te overtuigen en kondigt voor morgen een voorstelling aan. Het bekende werk. Levitatie door middel van gravitatie neutraliserende meditatie. Tentoonstelling van de wonderen der opperste liefde.
Ik mag met de reclamewagen mee naar het dorp om de mensen daar gratis op een voorproefje van de voorstelling te vergasten. De paarden voor de wagen zijn dit keer Marcus en Johannes. Als ik ze inspan hoor ik ze al mopperen. “Waarom altijd wij? We hebben de hele dag al gelopen!!”.
Ik maak een grapje en probeer zo luchtig mogelijk te doen. Ik stuur kalmerende beelden en verzin een langzame, zachte melodie. De paarden sluiten hun ogen en kijken naar binnen. “Ja, zegt Marcus, zo is het wel goed. Erg mooi, ik kan niet anders zeggen, maar je kunt beter”
Op weg naar het dorp zien we kleine stukjes grond met groenten en graan. Fruitbomen en schamele schuilplaatsen voor de schapen en de geiten. Sommige dorpelingen zijn al weer aan het werk. Ik zwaai en Benzdorf barst uit in een krachtig lied waardoor bonte wervelingen achter onze reclamewagen ontstaan. Prachtig gevormde fantasieën krijgen vorm en gaan hun eigen weg.
Wij weten dat we anders zijn. Onze ouders waren ook anders. Generaties lang zijn wij al anders. Sedert de ramp zijn wij anders. Dat is zo’n zevenhonderd jaar geleden. Toen veranderde de wereld. Dat moest wel. Want het werd te gek. Het kon niet meer. Er bleven er maar weinig over. Na de Ziekte. En van die weinigen waren er een paar anders geworden.
Nieuwe mensen.
En nu zijn we hier aangekomen. Benzdorf heeft veel oude boeken. In die boeken staan dingen beschreven van voor de ramp. Ik ken ze uit mijn hoofd. Ken de plaatjes. Weet dat het fout moest gaan. Weet waarom het fout moest gaan. Lang geleden was er dus oneindig lijden en groot gebrek aan inzicht. De werkelijkheid werd niet goed ingeschat.
De eerste huizen van het dorp komen in zicht. Houten huizen met heel erg spits toelopende daken. Kozijnen zwart geverfd en de ruiten zijn geslepen. Je kunt er moeilijk doorheen kijken. Ze zijn versierd met de mooiste glasgravures.
Wij komen aan op de marktplaats. Inmiddels omringd door kinderen in hun bont gekleurde kleding. Mutsen met punten waaraan kwasten hangen in allerlei kleuren. De ouderen op afstand. Malvitz pakt de ver-spreker, een soort hoorn gemaakt uit barnsteen, en begint te zingen. De fantasieën groeperen zich en wiegen mee op de klagelijke tonen van zijn ode aan de doden.
Na dit ernstig intermezzo is er plaats ingeruimd voor luim en scherts. Malvitz en Benzdorf pakken mij bij de hand en wij dansen een wilde polka waardoor de fantasieën steeds duidelijker materialiseren, woest over elkaar heen tuimelen en voortdurend van kleur verschieten. Op het hoogtepunt van deze orgastische seance maken wij contact. De omstanders verstijven. Zij kijken naar binnen en zij merken dat er iets is veranderd. Wij hebben de neurologische snelwegen in hun hersens hersteld en anders aangesloten. De Liefde is tot stand gekomen. Het leven van de omstanders is in een oogwenk radicaal gewijzigd. De kompasnaald van hun ziel geeft definitief een andere richting aan. De esoterie is geconcretiseerd in onze werkelijkheid. De kleuren zijn echt geworden. Goedheid en erbarmen voeren voortaan de boventoon. De zon schijnt en de duivel is uitgedreven. De toekomst is gewaarborgd.
En wij trekken na een paar dagen weer verder. Ons werk is nog lang niet gedaan.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De man, de deurwaarder, de woningbouwvereniging en de woede.

Gaskraan open laten staan

Als weinig niets wordt.

Als door de bliksem getroffen blijf ik met de brief in mijn handen midden in de kamer staan. Woede welt op, dondert als een woeste waterval over het instortende bastion van mijn redelijkheid en maakt dat ik de kristallen asbak, die Leah altijd zo prachtig vond, met een harde klap tegen de muur gooi, alwaar hij in een fontein van glassplinters uiteen spat.
De deurwaarder geeft mij twee weken de tijd om de achterstallige huurpenningen te betalen. Zo niet, dan zal ik met behulp van de hermandad uit mijn woning worden gezet. Bijna meteen transformeert mijn rauwe drift in kille berekende haat. Ik begin onmiddellijk plannen te maken. Dit zal niet gebeuren. Nooit. Ik laat me niet met mijn 75 jaar uit mijn eigen huis zetten door een paar snotjongens met een grote bek. Duizenden guldens heb ik besteed aan advocaatkosten om het misverstand uit de wereld te helpen. Niets heeft geholpen. Mijn juridische stormrammen lieten nog geen krasje achter op de muren van al die bureaucratische burchten.
In Amsterdam, in mijn stamkroeg koop ik van een goede bekende een pistool. Een vuurwapen om mijn gelijk kracht bij te zetten. Ik zal het niet toelaten dat ze me weer van huis komen halen.
Ik moet de tijd die me rest goed gebruiken. Mijn ternauwernood beheerste razernij maakt dat ik haarscherp kan nadenken over de te nemen stappen.
Van vuurwerk pruts ik een hele lange lont in elkaar. Ik zal de rollen omdraaien. Deze keer zal het dodelijke gas mijn kwelgeesten verdelgen.

Ik hoor de bel. Beneden staat de vijand. Ik loop het balkon op om de lont aan te steken. De stank van het gas in huis is nauwelijks te verdragen. Met mijn hand voor mijn mond loop ik door het huis naar de voordeur. Ik neem afscheid van de herinneringen en verlaat via de noodtrappen het appartementencomplex. Op het moment dat ik het autoportier open klinkt de doffe dreun van de explosie. Ik kijk om en zie grijze wolken door de gebroken ruiten uit mijn woning kolken. Het pistool in mijn jaszak geeft rust en vertrouwen.
Aangekomen bij het kantoor van de deurwaarder ontsteek ik de prop katoen in de opening van de fles wasbenzine. Ik slinger hem met kracht tegen de deur van het kantoor. Het koperen naambord verdwijnt achter een muur van vlammen.
Nu naar de woningbouwvereniging! Die schoft opruimen. Een dollemansrit. Ik schreeuw en ik eis. Ik dreig. Wordt naar de directeur gebracht. Beveiliging. Weer dreigementen over en weer. Ik trek mijn pistool. De inmiddels gealarmeerde agenten bespringen me. Het pistool gaat af. Ik zie de directeur bloedend ter aarde storten.

Het is goed. Mijn wilde woede ebt weg. Het is goed zo.

Het recht heeft gezegevierd.

8 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

DE BRIEVENBUS. Zomaar een voorval uit het leven van een postbode.

“Zo zout heb ik het nog nooit gegeten”, zegt de postbode, als hij drie brieven door de brievenbus van de familie Schmerzträumer wil gooien. Want, waar eens een gewone brievenbus in een solide betrouwbare eikenhouten deur was bevestigd, ziet hij nu een breed lachende mond. En niet zo maar een mond, nee, een echte, bewegende mond die ook kan praten en kan boeren. De mond zegt: “Zo postbode, u is aan de vroege kant vandaag, en dan drie brieven nog wel. Kom maar op want ik heb honger”. De postbode blijft als aan de grond genageld staan, en begint te twijfelen aan alles wat hem heilig is. Naast de eikenhouten deur zit een koperen bel die glimt als een snottebel in de maneschijn. “Okay”, zucht de “brievenbus”, “ belt u gerust aan om te vragen of het wel vertrouwd is”.
De postbode belt aan en meneer Schmerzträumer doet open. De postbode wijst op de mond. “Ja”, zegt meneer Schmerztraumer, “ik weet het, het ziet er wat vreemd uit, maar het is één van die nieuwe dingen uit Amerika. Deze brievenbus ontvangt de post via een echte biologische mond. Hij proeft, keurt, selecteert en eet vervolgens de reclame en de niet relevante brieven op. Een nieuwigheidje uit het land van de onbegrensde mogelijkheden. Ik hoef me alleen nog maar te bekommeren om de werkelijk belangrijke brieven”.
De postbode zwijgt. Hij kijkt nog eens naar de mond.
“Hoe weet die mond nou wat wel en niet belangrijk is?”
“Via een heel speciale genetisch gemanipuleerde chip”, antwoordt meneer Schmerzträumer.
“Is het wel veilig?”
“Veiliger kan bijna niet. Onbevoegden bijt hij gewoon de vingers af. Dat wel”.
De postbode gaat verder. In gedachten verzonken.
“Uit de nieuwe wereld”, fluistert hij, ” wie had dat ooit gedacht. Als ze dat kunnen dan kunnen ze nog veel meer!”

5 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

De politieke duiding van maatschappelijke overtuigingen in termen van rechts en links schiet vaak tekort als men daarmede individuele politieke voorkeuren bedoelt te omschrijven.

In het ochtendbos

Een overweldigende stilte op een betoverende plek.

Rechts stemmen is in veel gevallen stemmen op basis van een levensbeschouwelijk opportunisme dat onveranderlijk rechtstreeks voortvloeit uit de inhoud van iemands portemonnee. Het stemmen op rechtse partijen doet mij denken aan de metafoor van de baby die een scheermes krijgt aangereikt om mee te spelen. Het mes glimt heel erg mooi en is daarom zeer aantrekkelijk maar op de wat langere termijn veroorzaakt het dodelijke wonden. Het is aanlokkelijk om veel bezit, veel macht en status te hebben, maar het maakt het leven van de mens op de lange duur onmogelijk omdat voornoemd streven onherroepelijk leidt tot vernietiging van een voor de mens geschikte aarde. Rechts stemmen is vaak stemmen om te houden wat je hebt en te verwerven wat je graag wilt hebben. Links stemmen is vaak stemmen om te verwerven wat je wilt hebben omdat je er van overtuigd bent dat je bijna niets hebt. Kortweg gezegd: rechts stemmen om te behouden wat je hebt en links stemmen omdat je wilt hebben wat anderen ook hebben. Beide keuzes worden dus bijna uitsluitend gemotiveerd door puur materiële overwegingen.
Rechts is zakelijk en eenduidig gericht op het verwerven van geld, macht, aanzien en bezit. Links heeft heel soms nog idealen en is meer mensgericht.

Er zijn volgens mij, grofweg en zeer in het algemeen gesproken, twee soorten mensen op deze wereld. Mensen die voor zichzelf leven en de medemens louter en alleen als middel zien om hun materiële en psychische behoeften te bevredigen. En mensen die samen met de ander willen leven en de medemens niet als middel maar als doel beschouwen. Er zijn mensen die met behulp van de wetenschappelijke methode willen begrijpen waarom de dingen gaan zoals ze gaan. En er zijn mensen die boos zijn omdat ze op grond van “feiten-vrije” meningen en opinies van zichzelf en anderen denken te weten hoe dingen gaan zoals ze gaan en zichzelf als slachtoffer zien van deze in hun ogen vaak verderfelijke en schandelijke gang van zaken. Er zijn mensen die eerst naar zichzelf kijken als er een schuldvraag aan de orde is. En er zijn mensen die de schuld altijd bij een ander zoeken. Er zijn mensen die de koe bij de hoorns vatten. En er zijn mensen die zich latent machteloos voelen. Er zijn mensen die als eerste reflex een zeker genoegen scheppen in het feit dat een ander ongelukkig is. En er zijn mensen die als eerste reflex ongelukkige mensen willen helpen. Er zijn mensen die primair te goeder trouw zijn. En er zijn mensen die primair te kwader trouw zijn en heilig geloven in de zegeningen die het wonder van de vrije markt voor hun eigen persoon in petto heeft.
Rechts en links noemen we het vaak. In feite heeft het mijns inziens te maken met het soort mensen dat we zijn of graag willen zijn. En wat we uiteindelijk worden heeft alles te maken met de wisselende invloed van opvoeding, omgevingsfactoren, vrienden, genetische aanleg enzovoort. Het komt onder meer tot uiting in ons verwachtingspatroon, in de hoop die we al dan niet koesteren. We zitten er aan vastgebakken. Aan onze status, aan onze individuele genetisch vastgelegde en historisch gegroeide persoonlijkheidsstructuur. De een wil zekerheid en denkt zwart wit. De ander is genuanceerd en denkt in grijstinten. We verdedigen onze vermeende zekerheden in voortdurende interactie met anderen. We creëren onze waarheid met een grote hoofdletter “W” en slechts weinig zijn we geneigd om echt kritisch naar de eigen stelligheden te kijken. Genetische aanleg, opvoeding en de invloed van onze directe leefomgeving construeren het “toeval” waarop onze overtuigingen zijn gebaseerd. Een rijke, egoïstische en hebzuchtige stinkerd stemt op de VVD en een arme, afgunstige uitkeringstrekker stemt op de SP. Beiden worden bijna uitsluitend gemotiveerd door materiële motieven. Het einde van het verhaal is de opdeling van de wereldbevolking in verliezers en in winnaars.
O ja, en dan is er ook nog een heel klein segment van de totale bevolking die beweert zich niet door materiële motieven te laten leiden. Dit segment wordt door de materieel gemotiveerde massa als hypocriet, onwaarachtig en niet realistisch beschouwd en verwezen naar de periferie van de samenleving.
Links en rechts zullen ook in de toekomst onveranderd hoog van de toren blijven blazen, maar desondanks zijn en blijven we blinde stakkers die in het duister tasten omtrent een absolute ethiek. Armzalige stumpers die nog niet eens in staat zijn elkaar te willen en/of te kunnen begrijpen.
En politiek is één van de uitkomsten van bovengenoemde flauwekul. Het ware beter als eenieder zich eens wat kritischer met zichzelf zou bemoeien en zich wat minder kritisch veroordelend ten aanzien van zijn medemens zou opstellen.
Zet de roze bril af en aanschouw je eigen zwakheden.

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Verhaal zonder grenzen.

Ergens in een bos bij een vijver

Ergens in een bos bij een vijver.

De verheven idealen en onschuldige naïviteit van mijn jeugd hebben door de tand des tijds hun scherpte verloren en zijn door mij, net op tijd, als overbodige ballast opgeslagen in het pakhuis van verloren dromen dat zich ergens op het lelijke en saaie niemandsland tussen pubertijd en midlifecrisis bevindt. Daarna begonnen alle moderne en vernieuwende ontwikkelingen steeds vaker aan mij voorbij te gaan. Het verlokkelijk glimmen en glinsteren van have en goed bracht mij niet langer van mijn stuk. In die periode werden muziek en literatuur de belangrijkste zaken in mijn leven. Het was gelukkig niet anders. De prijs die ik voor deze rust moest betalen was weliswaar hoog maar laat zich godzijdank niet uitdrukken in banale en volkse termen van gemist materieel levensgeluk. Nee, achteraf bezien moet ik concluderen dat het echt niet anders kon. Het moest wel zo zijn dat mensen, ook veel van mijn vrienden, van mij vervreemd raakten.
Ik metamorfoseerde geleidelijk in een in zichzelf gekeerde kritische zonderling die de geboorte van een nieuwe tijd met uiterste scepsis gadesloeg en knorrig becommentarieerde. Daarbij zij wel aangetekend dat mijn voortdurende zoektocht naar de grondvesten van een absolute ethiek een aanzienlijke wissel trok op mijn geestelijke uithoudingsvermogen. Die vermaledijde queeste naar een wetenschappelijk te duiden grens tussen goed en kwaad!!!!! Als een charlatan-achtige dokter Faust was ik bereid mijn ziel aan het kwade te verkopen teneinde het goede te winnen. Welk een droevig misverstand!!!
Het verhaal begint op een prachtige zomerochtend, als ik vroeg ben opgestaan met, voor de zoveelste keer, slechts één doel voor ogen, namelijk, mijn nog steeds onwillige geest open te stellen voor de betoverende en verleidelijke influisteringen van de langzaam ontwakende natuur.
Het is heiig. Het zonlicht prikt hier en daar door de lage oplossende bewolking en een voorbode van kilte ligt omineus verscholen onder de directe koesterende warmte van die omfloerste laatzomerse zonnestralen. De bospaden verwarren zich in een spannend doolhof waardoor ik genoodzaakt ben om op geleide van de zonnestand mijn weg te zoeken. Het aarzelende zonlicht valt schuin door de grondnevel tussen de naar één kant licht overhellende boomstammen. Het is een traktatie voor lichaam en geest om in het bos van de nazomer rond te dolen en het geeft onvermijdelijk aanleiding tot sereen en diep nadenken over het nut en de noodzaak van mijn bestaan. Mijn spiritueel smachtende “ik” reikt tevergeefs naar onbereikbare hoogten. Voor de zoveelste keer moet ik mij met tegenzin schikken in mijn intellectuele onvermogen om een echte waarheid te ontdekken. En mijn nederlaag lijkt eens te meer beklemtoont te worden door de spottend klinkende zang der vogelkens in het belendend struweel.
Plots echter bespeurt mijn oog een vermoeden van beweging. Ik zie een klein knaagdiertje – een muis? – in de berm langs het bospad bewegen. Zo stil mogelijk tracht ik het diertje met mijn fototoestel te attraperen. Ingespannen tuur ik door de lens. En wat ik zie is zo gruwelijk, dat ik bijkans het toestel uit mijn handen laat vallen. Het kleine beestje met het lichaam van een muis, heeft een menselijk gezicht. Een piepklein menselijk gezicht. Het zegt iets dat ik niet direct kan verstaan. Ik kom naderbij met mijn fototoestel. En nu hoor ik heel ijl en ver weg wat het diertje zegt: “Een verandering uit het niets, hoe klein deze ook moge zijn, verandert alles”. Alles wordt even wazig voor mijn ogen. Als ik weer kan kijken zie ik een doodgewoon veldmuisje , dat van mijn verwarring gebruik maakt om te vluchten.
Het komt mij voor dat het zonlicht een paar tinten is verschoven en nu naar een volle goudkleur zweemt. De contrasten zijn wat minder scherp geworden en ik bemerk tot mijn schrik en verbazing dat ik plots gehuld ben in een zwarte mantel die ik draag over een lange zwarte robe, Aan mijn voeten priemen een paar ferme hoge laarzen. Ook zwart. Ik zijg handenwringend ter aarde en kan slechts een verstikt gejammer teweeg brengen. Het wordt mij teveel!. Ik verlies het bewustzijn en moet een langere tijd in flauwgevallen toestand op het bospad hebben gelegen. Als ik geleidelijk weer tot mijzelf kom staat een grote gouden zon hoog aan het zwerk en is de hemel van een geruststellende lichtblauwe kleur, opgevrolijkt door ragfijne witroze schapenwolken. In het veranderde licht lijken de bomen veel groter en het bospad veel smaller. In een van de zakken van mijn habijt voel ik sleutels. Mijn autosleutels. Inderdaad autosleutels, maar anders. Op een van de sleutels staat “Renault Reine”. Het zegt mij niets. Ook de andere sleutels komen me niet bekend voor. Zijn grover van uitvoering en gemaakt van een zeer zwaar en mij onbekend metaal. Het omringende bos is authentieker geworden, woester en niet onderhouden. Het is een woud geworden. Ik huiver en loop uiterst voorzichtig, op geleide van de zonnestand, in de richting van de plek waar ik, in een andere werkelijkheid, mijn automobiel heb gestald. Op die vermoedelijke plaats tref ik een oud, scheef gezakt bouwsel. Een herberg, naar het blijkt, met een rietgedekt dak. Op een, in de koele bries, licht bewegend uithangbord staat geschreven “In den Vrolijcke Guit”. Naast de herberg staat een voertuig geparkeerd. Een zwarte koets met details van glanzend messing en met prachtig geslepen ramen. Het rust op manshoge gespaakte wielen voorzien van gitzwarte luchtbanden. Een klein schildje op de schuin afgevlakte voorkant vermeld: “Renault Reine”. Ik pak de desbetreffende zware autosleutel en kan zonder belemmering het massieve portier open maken, overigens niet nadat ik daartoe op een aan het voertuig bevestigd opstapje ben gaan staan. Het interieur oogt als de binnenkant van een sombere doodskist. Veel zwart kant. Banken van donkerrood leder en ebbenhout. Vermoedelijke bedieningshendels uitgevoerd in een soort gietijzer en iets dat sterk op ivoor lijkt. De geur is overweldigend. Een mengeling van ozon en leder.
Ik sluit het massieve portier dat met een donkere dreun in zijn sponningen valt. De grond is zanderig met hier en daar sporen van grint.
Als ik de deur van de herberg open, moeten mijn ogen wennen aan een sepia-achtig gekleurde ruimte. De vloer bestaat uit verweerde zwarte planken. Het meubilair lijkt van ebbenhout. Er hangen zware gordijnen gemaakt van prachtig donkergroen fluweel. De ramen van de herberg zijn gemaakt van geslepen glas dat flonkert in het licht der gouden zon. Het geheel maakt een oeroude indruk. Nadat mijn ogen zich hebben aangepast aan het veranderde licht, ontwaar ik rechts van mij een kolossale bar voor een kast waarin op brede schappen een keur aan kristallen karaffen staat elk gevuld met weer een ander soort drank. Het donkere kleurenpalet dat, vreemd genoeg, toch een zwak flonkerende indruk maakt, vermengt zich op natuurlijke wijze met het amberkleurige licht dat van buiten door de vensters van geslepen glas valt.
Achter de enorme bar staat een zwaar gebouwde kale waard. Gekleed in een fel groen-rood gestreept gewaad. “Meester Lamentarus, wat verschaft ons de eer van uw bezoek?”, roept de waard mij opgewekt toe. Ik pak mijzelf tezamen en besef dat alles nu van mijn reactie afhangt. “Een frisse neus en een heerlijk bakje koffie met een vers pasteitje”, antwoord ik baldadig. “Komt eraan, meester”, zegt de waard. “Al nieuws over de zwavelzuurgooiers?” “Nee, zeg ik werktuigelijk, we zoeken nog steeds. Hoeveel ben ik u schuldig?” “Tweeënhalve schilling”, zegt de waard. Ik geef er drie. Laat de rest maar zitten.
In mijn voertuig gezeten stop ik de zware sleutel in een soort zilveren sleutelgat dat zich op het stuurwiel bevindt. Ik draai de sleutel om. Er gebeurt niets. Na 10 seconden gaat er een groen lampje op het stuurwiel branden . Een vrouwenstem zegt. Ik ben klaar als u klaar bent. Aarzelend zeg ik, naar het dorp. De wagen komt in beweging. Ik grijp het stuurwiel. Dat is niet nodig. Het voertuig rolt met zeer lage snelheid over de grindweg door het bos en zoekt zijn eigen weg. Het stuurwiel beweegt vanzelf mee met elke richtingverandering. Langzaam wordt ik langs de kant van de weg huizen gewaar. Maar niet de huizen zoals ik ze ken. Ze hebben de meest grillige vromen. De daken lopen pits toe. De bouwmaterialen zijn steeds zwarte of donkerrode natuursteen, ebbenhout en kristal. Het is alsof ik een sprookje binnenrijdt. Inmiddels is het wegdek veranderd in zware, platte, grillig gevormde, maar toch precies in elkaar passende platen van leisteen of een andere steensoort die er precies op lijkt. De straten worden omzoomd door statige, reusachtige loofbomen. En geen enkele straat is recht. Er zijn pleinen met prachtige fonteinen en imponerende standbeelden, gehouwen uit donkerrood marmer. Het voertuig stopt voor een wat groter vrijstaand gebouw met twee spits toelopende torens op de hoeken, een massieve, grote en uiterst kunstzinnig gebeeldhouwde deur gaat vanzelf open om mij de doorgang te verlenen. In een ruime hal zie ik achter een wit marmeren balie een aantal mensen zitten die druk aan het werk zijn. Zij werken met beeldschermen die gevat zijn in lijsten van zuiver lichtgroen onyx. De beelden zijn bijna scherper dan de beelden die de werkelijkheid ons rechtstreeks via onze ogen biedt. De kleding van de beambten is statig en zwierig tegelijk, waarbij donkere tinten overheersen en hier en daar wordt het geheel op een beheerste en deftige wijze opgevrolijkt door een diep glanzend rood of helgeel detail. Ik loop naar de balie en wordt aangestaard door een knap meisje met kersenrode lippen en een albasten gelaatskleur. “Wat kan ik voor u doen, meester Lamenterus?”, vraagt zij, terwijl zij mij vriendelijk en onderzoekend tegelijk aankijkt. “Ik heb een afspraak met notaris Magentus”, antwoord ik met de werktuiggelijkheid van een geoefende bezoeker. “Notaris Magentus is aanwezig. Ik zal u begeleiden naar zijn kantoor”, zegt het meisje. Zij staat met een vederlicht geruis van haar donkerpaars fluwelen gewaad op uit een kunstzinnig bewerkte en met lichtgroen trijp gepolsterde bureaustoel en schrijdt voor mij uit een, met donkerrood marmer betegelde, gang in waar, op geregelde afstand van elkaar, fraai bewerkte koperen muurlampen hangen, die met een zacht amberkleurig schijnsel de gang op een bijna sprookjesachtige wijze verlichten. Zij blijft staan voor een massieve ebbenhouten deur en gebruikt de zilveren deurklopper om meester Magentus te verwittigen dat er bezoek is voor hem. “Treedt binnen”, hoor ik van veraf een oude, wat krakende stem, op luide toon roepen. De deur zwaait open en ik betreedt een enorm grote en hoge kamer die beschenen wordt door hetzelfde amberkleurige licht als in de gang. Dit keer is omfloerste licht afkomstig van de dralende stralen van een gouden najaarszon dat door de gebrandschilderde ramen schuin naar binnen valt. Tussen de gebrandschilderde ramen die gevat zijn in spits toelopende gotische omlijstingen hangen schilderijen die allemaal een romantisch landschap voorstellen. Landschappen zoals Claude Lorraine ze zou hebben kunnen schilderen. Maar de details zijn prominenter aanwezig. Zijn duidelijker zichtbaar. Aan de rechterkant van de kamer bevindt zich een manshoge open haard waarin een vuur zo nu en dan fel oplaait onder het verspreiden van een uitbundige vonkenregen. Voor de haard staan twee lederen fauteuils en een lage tafel waarvan het tafelblad is vervaardigd uit het kostbare carneoolonyx met de bekende in elkaar verstrengelde vuurrode en witte lagen. Het tafelblad wordt gedragen door vier uiterst artistieke uit roodkoper vervaardigde kariatiden.
“Meester Lamentarus, om u te dienen meester”, zegt het meisje, “Hij heeft een afspraak. Het gaat over de onteigeningen in verband met de bouw van het transitiestation”. Achter in de grote donkere kamer met het hoge plafond, waar op weelderige wijze imponerend stucwerk is aangebracht, zit meester Magentus achter een immens cilinderbureau van donker Djatihout. De voorpanelen van het kolossale bureau worden verfraaid door verfijnde intarsia, zo delicaat en mooi als ik nog nooit heb mogen aanschouwen. Meester Magentus komt achter zijn bureau vandaan en komt mij tot halverwege de kamer tegemoet. Hij heeft zijn beide armen uitgestoken en begroet mij als ware ik de verloren zoon in eigen persoon . “Meester Lamenterus, wat een eer u weer te mogen begroeten”, jubelt de notaris met een hoge, ietwat hese stem, “Neemt u toch plaats bij de haard” . Meester Magentus die gekleed is in een streng ogend zwart lakense pak en een scharlaken rode cape, gaat zelf ook zitten in een van de twee immense oorfauteuils van soepel donkergroen elandleer. Ik nestel mij in de schoot van de stoel. “Marieke, breng ons koffie en cognac. We hebben belangrijke dingen te bespreken” Het knappe meisje, dat dus Marieke heet, maakt het begin van een reverence en verlaat vervolgens gehaast de kamer.
“Welaan, mijn beste Lamenterus, laten we meteen ter zake komen”, zegt de notaris. “Uw verzoeken hebben wij in de diverse akten vastgelegd en zijn ter beoordeling aangeboden aan het opperste Presidium van de Stadsraad. Het is nu wachten op de goedkeuring”
Ik schraap mijn keel en neem een deemoedige houding aan. “Zou het wellicht mogelijk zijn om nog wat kleine wijzigingen in het oorspronkelijke plan aan te brengen?” , vraag ik op bescheiden toon.
“Daar vraagt u me nogal wat”, roept meester Magentus verschrikt uit, “de akten zijn al door het Openbaar Ministerie geaccordeerd. Maar voordat we verder gaan zal ik even de kopieën erbij halen”. Meester Magentus staat op en verlaat de kamer door een deur naast zijn bureau. Ik sta op om naar de taferelen op de schilderijen te kijken. Ze zijn van een wonderbaarlijke gedetailleerdheid. Elke grasspriet staat er haarscherp op. Ik buig mij naar het meest linkse schilderij. Een boerderij tegen een bosrand met op de voorgrond wat struikgewas en bijna door riet overwoekerde sloot. Ik kijk scherper en zie tussen het riet een vogel. Een fuut. Plots begint het beeld te trillen. De omtrekken van de fuut tekenen zich nog scherper af tegen de groen-bruine achtergrond. De kop van de vogel verandert en wordt vervangen door de verwrongen gelaatstrekken van een kwaadaardige sater. Weer hoor ik een ijle stem. “Dit is de prijs die moet worden betaald voor de kennis van goed en kwaad”. Ik staar als gebiologeerd naar het monsterlijke wezen in het schilderij. Mijn omgeving vervaagd. De kamer lost op. Tegelijk wordt ik geweervuur en kanongebulder gewaar. Ik sta in een modderige loopgraaf met een lang geweer in mijn hand. Om mij heen klinkt afschuwelijk gekerm en vallen onophoudelijk granaten. Ik struikel als ik terugdeins voor het plotselinge geweld. Onder mij ligt het uiteengereten onherkenbare lichaam van een soldaat. Dan explodeert de lucht om mij heen en wordt alles duister.

In een ruim en licht kantoor op de dertiende verdieping van een gebouw in Tel Aviv zit ik achter een stalen legergroen bureau. Tegenover mij staat het hoofd van de Mossad. “Ik kan hier dus blind op varen?” vraag ik hem. “Er bestaat geen twijfel” , antwoord de man. “Dan is dus de nucleaire optie geen optie meer, maar in feite nog onze enige mogelijkheid?”, concludeer ik. “Ik kan er niets anders van maken”, bevestigt de man van de Mossad. “Okay, dan vallen we aan. Ik zal het bevel geven. God zij ons genadig”.

4 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Een onaangenaam persoon. Een eerste oefening in het trachten aan te trekken van een nieuwe mentale overjas.

Orgel

Van het orgel des Levens beroert slechts God het klavier.

Weet u wat mij mankeert? Weet u wat in mijn leven steeds prominenter begint op te spelen? Waar ik steeds meer last van krijg? De ernst! Of beter gezegd, het gebrek aan ernst. Ik heb in toenemende mate moeite om ernstig te blijven. Daardoor moet ik ook steeds beter mijn best doen om mijzelf en mijn medemensen nog serieus te nemen. Ik ben steeds minder in staat om werkelijk geïnteresseerd naar zogenaamde gewichtige zaken van mijn medemensen te luisteren. Ik moet me steeds meer inspannen om sociaal nog enigszins acceptabel te blijven en ik krijg steeds grotere moeite om samen met anderen serieus, gewichtig of belangrijk te blijven doen. Ik heb sowieso steeds meer moeite om überhaupt nog iets serieus te nemen of belangrijk te vinden. Vindt u dat niet stuitend cynisch en afschuwelijk arrogant? Mag een mens eigenlijk wel zo cynisch en arrogant zijn? Nee, zult u verontwaardigd uitroepen, natuurlijk niet!!! Doch weest gerust. Immers, het kwaad straft meestal zichzelf. Het helemaal niemand en niets meer serieus nemen is in feite een afschuwelijke sociale belemmering die er op zijn beurt voor zorg draagt dat ik zelf ook niet meer serieus wordt genomen door anderen. Zo neemt, op zijn beurt, de door mij geminimaliseerde en geridiculiseerde medemens dubbel en dwars wraak. Zou ik daar over in moeten zitten? Is dat heel erg? Natuurlijk zou het helemaal niet leuk zijn, vermoed ik, indien ik sterk aan respect en waardering van anderen zou hechten. Maar dat doe ik dus niet, zoals u inmiddels al uit mijn woorden heeft kunnen opmaken. Het kan mij eigenlijk mijn hele leven al geen rooie rotmoer schelen wat anderen eventueel van mij zouden kunnen denken. Noch ben ik bovenmatig geïnteresseerd in wat mijn medemensen zelf zoal zeggen, doen of laten, tenzij het om uiterst deskundige, artistieke of unieke en authentieke personen gaat, aan wier kennis, humor en liefde ik mij kan laven. Een uitzondering op deze regel vormen natuurlijk mijn lieve familie en mijn weinige, goede en trouwe vrienden. Van hen houd ik met mijn ganse hart.
Deze uiterst onaangename, onsympathieke en specifiek in mijn persoon gelegen hoedanigheden vormen grotendeels de reden dat ik niet altijd even vriendelijk en sociaal ben voor mensen die ik niet of ternauwernood ken. Het is niet anders.

Mij zijn mensen bekend die op een terrasje gaan zitten specifiek met het doel om naar andere mensen te kijken. Dat vinden ze leuk, zeggen ze dan. Boeiend zelfs! Zoiets kan ik dus helemaal niet begrijpen. Voor mij zijn de meeste mensen niet bijster interessant omdat ze uiterst voorspelbaar, meestal licht agressief en bijna altijd erg conformistisch zijn. En doorsnee- mensen, die ik helemaal niet ken, boeien me al helemaal niet.

Ik vind het, daarentegen, wel belangrijk hoe ik over mijzelf denk. En het zal u dan ook niet verwonderen dat ik dienaangaande grosso modo best tevreden ben. Ik ken mijzelf namelijk redelijk goed. Ik ken mijn feilen. Gedegen en solide zelfinzicht vormt voor mij een absolute voorwaarde om te kunnen komen tot hout snijdende kritiek op de eigen handel en wandel. Een oppervlakkig waarnemer zou mij een onverbeterlijke egoïst noemen. Ik denk dat hij gelijk heeft, in dier voege dat ik het ziekelijke narcisme, dat een egoïst bijna altijd aankleeft, min of meer ontbeer.
Vooral de oorsprong en het diepste wezen van de zwakke kanten mijner persoonlijkheidsstructuur, wens ik compromisloos te leggen langs de hoge en veeleisende meetlat van de door mijzelf ontwikkelde ethiek. Deze ethiek kon ik ontwikkelen door veel te lezen, goed te luisteren en consequent door te denken. Juist mijn zwakke kanten fascineren me enorm en ik heb via de confronterende weg van de introspectie moeten constateren dat ik er behoorlijk wat heb. Ik ben derhalve veel tijd kwijt met pogingen om mijn denken en mijn gevoelsleven en mijn daaruit voortvloeiende gedrag te analyseren, te redresseren en te verbeteren. Niet dat het iets helpt, maar het houdt me wel scherp.

Ik ben al zolang gewend om onzin en leugens te schrijven, dat ik niet meer anders kan. Er werd door mij al zoveel desinformatie en flauwekul over het internet uitgestrooid dat ik mijn eigen “ik” er ternauwernood meer in terug kan vinden. Het lijkt wel of ik zelf die baarlijke nonsens ben geworden. Nee, het is volgens mij nog beroerder, het lijkt niet alleen alsof, ik denk dat ik mijn leven lang al zelf de vlees geworden desinformatie en flauwekul ben geweest. God heb erbarmen!!!

En waarover zou ik dan eigenlijk wel serieus moeten zijn?

1. Over het steeds slechter wordende onderwijs.
2. Over de steeds moeizamer verlopende opvoeding van de jeugd.
3. Over het gebrek aan wilskracht om door te zetten, om iets soberder te willen leven, kortom over het algemene gebrek aan ruggengraat.
4. Over het voortdurend toenemende geweld, de onsympathieke agressie en de tenenkrommende onbeschoftheid van de gemiddelde Nederlander.
5. Over de onwaarschijnlijke hoeveelheid mensen die in zo’n klein landje opeengepropt moeten leven.
6. Over de sussende, vergoelijkende en toedekkende woorden die de meeste Nederlanders spreken om al die afschuwelijke zaken te verdringen.
7. Over het totaal misplaatste en idiote optimisme dat verhindert dat er intensief naar oplossingen wordt gezocht voor genoemde problemen.
8. Over het onwaarschijnlijk grote alcohol- en drugsmisbruik in Nederland
9. Over de apathie en de verwendheid van de gemiddelde Nederlander. Twee weken na zijn vakantie is hij al weer moe en moet hij weer op vakantie.
10.Over de schrikbarend snel toenemende domheid veroorzaakt door een bijna algemene verslaving aan al die maffe, modieuze en geestelijk ziek makende sociale media.
11. Over het feit dat we niet in staat zijn om die toenemende domheid op te merken omdat we met zijn allen steeds dommer worden.
12. Over het feit dat de gemiddelde Nederlander niet bestaat en een gewone huis-tuin-en-keuken Nederlander dus steeds weer kan beweren dat het gelukkig niet over hem gaat.

Zo kan ik, naast de hierboven opgesomde ellende, nog wel twintig andere hartverscheurende pijnpunten noemen. Over al die gewichtige onderwerpen zou ik natuurlijk heel serieus en belangrijk kunnen doen. Met diepe gedachten, sprankelende ideeën, onthutsende cijfers en interessante invallen of zo! En dat zou ik ook wel willen doen, als ik er echt van overtuigd was dat het zou helpen. Echter, ik heb nog niet eens het begin van een dergelijke overtuiging bij mijzelf kunnen bespeuren. In tegendeel zelfs, ik ben er wel haast zeker van dat mijn ronkende woorden precies het omgekeerde van mijn bedoelingen bewerkstelligen.
Roepende in de woestijn. Jezelf kwellen met je eigen machteloosheid. Vage schuldgevoelens genereren. En ga zo maar door. Mij niet gezien dus. Ik heb die snelle modieuze jongemensentrein van wellust en oppervlakkigheid al lang verlaten en mijn reis, zonder reisgenoten, te voet voortgezet.
En ik geniet elke seconde van die verhelderende tocht over de door mijzelf gekozen weg naar Verlichting. Bij deze reis kan ik mijn medemensen missen als kiespijn.
Al die vreselijke herrieschoppers kunnen me eigenlijk gestolen worden. Ik hoop hevig dat ze mij met rust laten, dan zal ik hen ook niet lastig vallen.

NB. Wat valt mij op in dit stukje? Dat ik meer dan veertig keer het woordje “ik” gebruik. Dit tegen de borst stuitende gegeven zegt mijns inziens wel genoeg over mijzelf. Over mijn zwakke kanten gesproken!!! De uitgesproken en uiterst onsympatieke preoccupatie met mijzelf. Ik vind het niet heel erg, maar leuk is toch anders.
Eenenveertig keer!!! Dat wil je toch gewoon niet weten!
Hier moeten we dientengevolge hard aan gaan werken. Dus nóg meer absurde en godslasterlijke verhalen over de wereld en veel minder gezeur over mijn eigen, voor vreemden totaal oninteressante, persoon.

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

De zaailingen van “De Duistere”.

ZandBlauw

Groen

De Natuurvlag

Het zit me behoorlijk dwars. Eerst een huilend geluid, daarna een zachte ontploffing meteen gevolgd door het betrekken van de lucht en een soort rare stortbui. Wat kan het in godsnaam zijn geweest? Een vliegtuig dat door de geluidsbarrière ging? Een atoombom die boven Arkadië ontploft? Of dingen die alleen in mijn kop gebeuren en geen relatie met de objectieve werkelijkheid hebben?
Als ik naar buiten loop is de straat gewoon droog en schijnt de zon. Net als de weken hiervoor. Het is droog. En heel warm. In de verte de bergen. Achter die bergen nog meer bergen. Steeds hoger. De hoogste bergen steken meer dan 25 kilometer de lucht in. Dus echt hoog. Geen zuurstof meer op die hoogte. De vlakten die zich voor mij uitstrekken zijn eindeloos. De horizon is honderden kilometers verwijderd. Ja, het is een hele grote planeet. En licht. Heel licht. Hij is iets minder dan negen maal zo groot als de aarde, maar heeft ongeveer dezelfde massa. De aarde, de planeet waar ik geboren ben. Zo’n honderdvijftig miljoen jaar geleden. De millennia regen zich aaneen en brachten mij uiteindelijk hier. Op deze holle planeet. Door mensen gemaakt. Ik reis over de buitenkant. Ik wil niet denken wat er zich aan de binnenkant van deze planeet bevindt. Ik heb wel een vermoeden. Maar ik wil er niet aan denken.
Er gaan verhalen. Heel oude verhalen. Verhalen van zeker twee miljard jaar geleden. Verhalen over wedergeboorte. Over iets wat men toen “sterven” noemde. Over hereniging met het al. Over het verlies van je eigenheid.
Ik denk na. Wat zou dat kunnen zijn. Het al, je eigenheid. Ik kan me er niets bij voorstellen. Alles is toch alles. Ik ben ook alles. Wat ik ervaar ervaart iedereen.

Wij doorkruisen een oceaan van oneindigheid en verwonderen ons over de universa die als zeeschuim door de golven van de branding der eeuwigheid worden voortgebracht. Wij blijven waar het kan en vluchten waar gevaar dreigt. Wij zijn ik. Ik ben alles. En alles zijn wij. Als er niets is is er niets. Als er alles is is er alles. Alles is niets. Ik ben niets. Wij zijn niets. Het doet er niet toe. Er zijn belangrijkere zaken.

Ik moet de reeks van gebeurtenissen, al die toevalligheden, afronden. Er moet een reden zijn. Dat is een vereiste in dit universum. Maar ben ik nog wel in dit universum? Of loopt de tijd weer terug? Is de tijd wellicht verdwenen? En zijn we voor de verandering weer eens gestrand in de goeie ouwe eeuwigheid.

Ik heb millennia lang (volgens de locale driedimensionale tijdaanduiding) spiritueel deel gehad aan een planeet die bijzonder eigenaardige wezens had voort gebracht. Mijn taak was een simpele. Ik moest er alleen maar zijn. En één blijven. Mijn aanwezigheid daar was in een bepaald opzicht best opmerkelijk en spiritueel zeker relevant. Zelden werd door mij een snellere ontwikkeling van organisch leven waargenomen. Het totale dynamisch-evolutionaire organische proces mondde uiteindelijk uit in een intelligente dominante soort. Een toevallige maar toch uiterst strikte ordening van energie die zichzelf “mens” noemde. In mijn ogen een kwaadaardig driedimensionaal wanstaltig object zonder enig existentieel bewustzijn. Een materiële verschijningsvorm uit de crypten der waarschijnlijkheden die wij als “intelligent” object plegen in te delen bij de spiritueel blinde soorten. Maar wat mij eigenlijk direct opviel bij deze entiteit was zijn inherente drang tot zelfdestructie. De sterk morbide en uiterst rudimentair intelligente structuur die dit soort objecten altijd zo treffend aankleeft was voor mij een overduidelijke aanwijzing met betrekking tot hun herkomst. Het was mij eigenlijk meteen duidelijk dat “De Duistere” hier met zijn diabolische krachten werkzaam was.
Een primitieve intuïtie kon die uiterst merkwaardige organische objecten niet ontzegd worden. Zij hadden een “schepper” bedacht en noemde deze “God”.
Er was dus kennelijk iets van het wezen van “De Duistere” doorgesijpeld in de materiële werkelijkheid van die vreemde organische objecten.
Na ruggespraak moest ik de planeet vernietigen. Een noodzakelijke handeling waar ik toch elke keer weer moeite mee heb.

6 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized