Maandelijks archief: september 2011

Laatste schrijfster.

De trots van Breda.

Laat de kinderkens tot mij komen!

Haar taal schrijft met de jaren
Verhalen uit vervlogen tijd
De heren die de thee vergaren
Komen gehavend uit de strijd.

Hoe zinnen van het ver verleden
Opgedist in vrije vorm
Nu het heden weer betreden
Als de stilte voor de storm

Zij schreef de wereld zonder klagen
haar handen werden moe
Zij kon de pen niet langer dragen
haar ogen vielen toe.

Advertenties

5 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Tijd. Verleden, heden en toekomst. Rampspoed en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden.

Niets is minder leuk dan te moeten lezen dat de “beschaving” die wij kennen en waarmede wij zijn opgegroeid, de westerse beschaving, op zijn einde loopt. Het is alsof een bankschroef zich om je hart klemt, je gemoed raakt bezwaard en je denkt aan je kinderen en de kinderen van jouw kinderen. Wat moet er in die inktzwarte toekomst van jou en je naasten terecht komen? Onzekerheid en aanvallen van melancholie worden je deel. Het zet je aan het denken. Vragen worden opgeworpen.
Is het wel waar wat er wordt beweerd door sommige mensen die zeggen dat ze het kunnen weten omdat ze claimen ter zake deskundig te zijn? Wat kun jezelf weten? Wat kun jezelf dienaangaande constateren door je gezonde verstand te gebruiken? Ben je bevooroordeeld als je met dit probleem aan de gang gaat? Heb je een roze bril op en weiger je die, tegen beter weten in, af te zetten? Is het überhaupt wel mogelijk om met kennis van het heden iets zinnigs over de toekomst te zeggen? En zo ja, is het dan mogelijk om vanuit het heden de toekomst op mega-schaal vorm te gaan geven zodat dreigend onheil voor jou en je kindskinderen kan worden afgewend?

Goed, wat is het heden? Het heden is de “tijdsspanne” die we als nu ervaren. De toekomst is, naar mijn mening, onlosmakelijk verbonden met het heden als logische resultante van het verleden. We praten hier dus over tijd. Wat is tijd?
Wat zeggen andere mensen zoal over het begrip tijd? Zij zeggen het volgende:

“Tijd kan na hoogte, breedte en lengte gezien worden als de vierde dimensie. Van een gebeurtenis kan gezegd worden dat deze na een andere gebeurtenis plaatsvindt. Een gebeurtenis vindt plaats op een tijdstip of moment. De tijd wordt wel gezien als een opeenvolging van tijdstippen. Daarnaast kan bepaald worden hoe lang een gebeurtenis na een andere plaatsvindt. Het betreft dan de tijdsduur tussen twee tijdstippen. Tijd is het begrip waarmee deze volgorde en duur worden beschreven.
Tijd volgt uit het axioma van (of ligt zelf als axioma ten grondslag aan) oorzakelijkheid. Dat wil zeggen dat we tijd alleen kunnen definiëren als we het bestaan van oorzakelijkheid erkennen, of andersom, dat oorzakelijkheid alleen in termen van tijd kan worden gedefinieerd.

De Plancktijd, ook kwantumtijd genoemd, is volgens de huidige stand van de wetenschap de kleinste betekenisvolle lengte van tijd. Deze tijd is een natuurlijke eenheid, bedacht door Max Planck, die alleen is afgeleid van natuurconstanten.
De Plancktijd is gelijk aan de tijd die licht nodig heeft om een Plancklengte af te leggen.
Dat is tien tot de min drieenveertigste seconde”.

En die andere mensen kunnen het weten want zij hebben er voor gestudeerd. Maar wat vind ik nou zelf van tijd nadat ik dus kennis heb genomen van wat andere mensen over dit fenomeen te vertellen hebben. De wetenschappelijke methode aldus toegepast leert mij dat tijd een kleinste betekenisvolle lengte kan hebben. De tijd is dus daadwerkelijk op te delen in kleinste onderdelen. Hieruit volgt logischerwijze dat er geen absoluut nulpunt is aan te wijzen tussen verleden en toekomst. Hieruit volgt dat naast (<) de Plancktijd een entiteit bestaat waar tijd zijn herkenbare hoedanigheid verliest en zich oplost in wat een singulariteit genoemd wordt. Een (nog?) niet te kennen of te doorgronden toestand waar de natuurwetten, wier werking wij elke dag weer aan den lijve ondervinden, hun geldigheid verliezen.
Ons ruimtetijdcontinuüm existeert op het substraat van sub-Plancktijd (< tien tot de min drieënveertigste seconde) en sub-Plancklengte (< tien tot de min drieëndertigste centimeter). Vormt er één geheel mee. Het is het voor ons zichtbare deel van de ons omringende werkelijkheid. Tijd is een een symptoom van die werkelijkheid. Een uitvloeisel van die werkelijkheid. Maar het is dus niet het hele verhaal. Waarschijnlijk is de door ons te kennen werkelijkheid min of meer te zien als de eerste zinnen van het verhaal dat de totale werkelijkheid beschrijft.

Daarnaast zijn er wetenschappelijke uitspraken nodig over de menselijke hoedanigheid, over het "IK", over de organische machine die de werkelijkheid registreert en duidt. Het bewustzijn. Het zelfbewustzijn. Het biologische instrument waarmede wij de geheimen van de werkelijkheid te lijf gaan en dat tegelijkertijd onlosmakelijk deel uitmaakt van diezelfde werkelijkheid. Hier kunnen we putten uit de schier oneindige hoeveelheid kennis die neuro-wetenschappers, theologen en psychologen ons verschaffen. Een amalgaam van onzin en redelijkheid, van onlogisch geraaskal en wetenschappelijk verantwoorde stellingen. Wat denk ik? En waarom denk ik dat?
In wezen zijn wij een op een bepaalde of toevallige wijze georganiseerde hoeveelheid energie waaruit een (zelf)bewustzijn is voortgekomen hetwelk door dat zelfde bewustzijn als betekenisvol ervaren wordt. Wij zijn talig en duiden daarmede de werkelijkheid, maar vormen tegelijkertijd een onderdeel van die alles omvattende werkelijkheid. Staat u mij in deze de altijd gebrekkige duiding van een metafoor toe. Wij zijn een onderdeeltje van een machine en kunnen als zodanig reflecteren op onze directe raakvlakken met die machine, maar zijn niet in staat de bedoeling van die machine te doorgronden. Wij missen per definitie het totaaloverzicht.
Dat is de tragiek van de menselijke hoedanigheid. De zelfbewuste mens postuleert een eigenheid, beschouwt zichzelf als het alfa en het omega en bouwt daar een werkelijkheid omheen.
Er zijn neurologische experimenten die wijzen in de richting van een werkelijkheid die groter is dan de mens zelf. Ik kom hier een andere keer wel op terug.
Wij zijn ons brein. Niets meer en niets minder. De toekomst ligt vast. Of we dat nu leuk vinden of niet. De mens heeft een vrije wil en geeft daarmede vorm aan die toekomst. Maar de toekomst ligt vast als onontkoombare uitkomst van de werking van de vrije wil van de mens.
Wellicht verdient het aanbeveling om te leren omgaan met de paradox die het zelfbewustzijn versus de werkelijkheid creëert.

NB. Mijn volgende bijdrage zal duidelijk maken hoe ik denk dat wij de samenleving moeten organiseren als een van de mogelijke oplossingen om te voorkomen dat wij met zijn allen volledig naar de donder gaan.
Dat klinkt aanmatigend en dat is het ook. Maar zo zit ik nou eenmaal in elkaar!

NB1. Je kunt ook over mooie foto's schrijven. Of over de politiek en andere dagelijkse dingen. Even goede vrienden!

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Neoliberalisme. Een armoedige “filosofie” van beklagenswaardige mensen.

Houten hersens in de diepvries

Houten hersenen in de vrieskou.

Neoliberalisme is een mogelijk antwoord op de vraag hoe een samenleving zich economisch zou kunnen organiseren. Een neoliberale economie kenmerkt zich dan door:
– een vrije markt (zonder handelsbarrières),
– vrije wisselkoersen,
– privatisering,
– marktbepaalde prijzen,
– weinig overheidsinterventie,
– constante vergroting van markten.
Het is een armoedig gedachtegoed. Het draait allemaal om de centjes, de macht en de status. Meer markt, minder overheid. De ene mens moet de vrijheid hebben om de zwakkere mens uit te buiten, te bestelen en te beschimpen.
Liberalisme is een levensovertuiging van mensen die zich sterker en beter achten dan hun medemens. De neoliberale mens krijgt van jongs af aan ingeprent dat hij/zij moet presteren, dat hij/zij altijd beter moet zijn dan zijn/haar medemens, dat de medemens een concurrent is in een permanente situatie van schaarste en dat hij/zij er voor moet zorgen het grootste stuk van de koek te bemachtigen. Zingeving aan het leven staat voor dit soort mensen gelijk aan het nastreven van alle mogelijke economische doelen. Alle belangrijke zaken in het leven (macht en status) zijn volgens dit soort mensen één op één te herleiden tot economische factoren.
Mensen die deze levensovertuiging aanhangen vinden zichzelf sterke mensen. Zij zijn de winnaars in de strijd om de schaarse middelen. Zij zijn slimmer, sterker en beter dan hun zwakkere medemens. De zwakkere medemens is de verliezer. De zwakkere medemens heeft het aan zichzelf te danken dat hij zwak is. De zwakkere medemens heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn eigen leven. De subsidieslurper, de uitvreter, de onproductieve, de wanbetaler, de verliezer heeft zijn mislukte leven helemaal aan zichzelf te danken, aldus het verheffende gedachtegoed van de flinke, doorpakkende en altijd weer uitdagingen accepterende neoliberaal. Gevraagd naar de filosofische onderbouwing van hun levensovertuiging verwijzen dit soort mensen veelal naar Adam Smith bedenker en leider van de bende van de “onzichtbare hand” en voorstander van het nastreven van het eigen individuele belang. Een ethiek die zich overduidelijk baseert op het recht van de sterkste. En het werd in de negentiende eeuw nog eens dunnetjes overgedaan door ene Herbert Spencer die de evolutietheorie toepaste op de menselijke samenleving. Hij bedacht de prachtige uitdrukking: “The Survival of the Fittest”.

Door harde, hebzuchtige en egoïstische mensen werd dus een diversiteit aan geraffineerde ethische smoesjes bedacht om hun graaizucht, machtswellust en pure slechtheid ten opzichte van de rest van de wereld te rechtvaardigen. Zij waren er vast van overtuigd: hun gewetenloze perfide gedrag was een zege voor de wereld. De wetenschap (Adam Smith en Herbert Spencer) liet immers zien dat ze gelijk hadden. Dit krakkemikkige gedachtegoed is momenteel bezig de gehele wereld te veroveren. Egoïsme en materialisme!!! Geen plaats meer voor naastenliefde, voor solidariteit met de zwakkeren en voor bescheidenheid, soberheid en verantwoordelijkheidsgevoel.
Geëmancipeerde arbeiderskinderen werken samen met restanten van adel en bourgeoisie uit vervlogen dagen en zij componeren samen een treurmars waarmede medemenselijkheid, liefde en erbarmen ten grave worden gedragen.

De Nederlander wordt steeds rechtser!! Hij verheerlijkt ambitie, hardheid, opportunisme, welbegrepen eigenbelang en rabiaat egoïsme. Hij heeft geen oog meer voor intellectuele zaken indien deze niet geduid kunnen worden in termen van geld. De Nederlander is op weg om een calculerende, opportunistische en anti-intellectuele hufter te worden, die op luide en onbeschofte wijze zijn vermeende gelijk de wereld in schreeuwt.
Wat de overlevers rest is een terugtocht naar de veilige en vertrouwde haven van de kunst, de wetenschap en de Cultuur, in de hoop dat de buitengaatse storm spoedig gaat liggen.

4 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Aan jezelf werken. De tragiek van een lichte narcistische persoonlijkheidsstoornis.

Lichtflits knal en litteken.

De Bliksemboom

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik slachtoffer was en nog steeds ben van een uitzonderlijk beschermende opvoeding. Er was bij ons thuis altijd voldoende geld. Ik kreeg de liefde die nodig was om als evenwichtig mens aan het grote-mensen-leven te beginnen en ik werd in staat gesteld mijn talenten te ontplooien op school en later op een universiteit. De mij omringende opvoeders waren van een conservatief intellectueel liberale signatuur. Men had het gedachtegoed van de vrijdenker hoog in het vaandel en trachtte dat ook op mij over te brengen. Het feit dat ik in mijn pubertijd naar de, in mijn kringen absoluut verderfelijke, politieke linkerkant afgleed was het bewijs dat mijn opvoeding zijn vruchten had af geworpen. In een roes van romantiek verheerlijkte ik alles wat arbeider was. Ik fantaseerde ruwe bolsters en blanke pitten. Ik werd een kritiekloos voorstander van het zogenaamde gezonde boerenverstand waarover in arbeiderskringen zo hoog werd gegeven. De tijdsgeest werkte in mijn voordeel. Het was alles “Love and Peace” wat de klok sloeg. Er waren sit-ins en vluchten naar het paradijs van de Lage Landen. Maar van werkelijk contact met de door mij geïdealiseerde arbeidersklasse was nog totaal geen sprake geweest. Tijdens mijn studie kwam ik erachter dat er meer nodig is dan een romantisch gemoed om een politieke weg te kiezen. Ik studeerde en las me helemaal suf. Bovendien ging ik vrijwilligerswerk doen. Ik ging arbeidsongeschikte mensen bijstaan die door de bevoegde instanties weer geschikt werden bevonden om aan het werk te gaan, het daarmede niet eens waren en geen geld hadden om een advocaat te betalen. U begrijpt het al. Ik hielp ze gratis. Voor nop. Jarenlang verdiepte ik me in ziektegeschiedenissen, beperkingenlijsten, beschrijvende rapporten, arbeidskundige rapporten, medische rapporten, specialistische rapporten, rapporten van getuige-deskundigen en beschikkingen en uitspraken van de Raad van Beroep en de Centrale Raad van Beroep. Ik schreef de klaagschriften en de beroepsschriften voor al die arme donders die niet het geld of de kennis bezaten om het zelf te doen.
En langzaam gingen mij de ogen open. Geleidelijk begon de waarheid tot mij door te dringen. Het zal tussen mijn dertigste en veertigste levensjaar zijn geweest dat ik ernstig begon te twijfelen aan al die met de mond beleden goede bedoelingen van authentieke arbeiders, van betrouwbare uitkeringsinstanties, van deskundige artsen, van onpartijdige rechters en van alle lieve en aardige mensen in het algemeen. Beetje bij beetje kwam ik erachter dat er ontzettend veel ruwe bolsters waren en maar verdomd weinig blanke pitten. Mijn mensbeeld begon te kantelen. In mijn beoordeling van mijn medemens liet ik mij steeds vaker leiden door koel cynisme en een diep wantrouwen. Ik voelde mij meer en meer verraden en bedrogen door de mij omringende mensen.
En zo kon ik uiteindelijk die mantel van zweverige romantiek en totaal misplaatste naastenliefde afleggen en kon ik alsnog, met aanzienlijke vertraging, de wereld van de echte volwassenen betreden. Een grimmige, chagrijnige en brute wereld van eigenbelang, machtsspelletjes en statusjagerij, bevolkt door rare alfa-mannetjes en hebberige geldwolven. Door mijn licht narcistische aard werd ik aanvankelijk diep gekwetst in mijn gevoelens en hopeloos teleurgesteld in mijn veel te hoge verwachtingen van mijn medemensen. De wereld bleek totaal anders dan ik me had voorgesteld. De wereld had niets te maken met geborgenheid, met liefde en met altruïsme. Het ging om uitdagingen, om competitie, om altijd de beste willen zijn ten koste van anderen, om steeds meer willen hebben, om nooit genoeg, om afgedwongen respect en om de jacht op bezit. Het ging om rabiate slechtheid, om list en bedrog en om het rücksichtslos najagen van eigenbelang.
Ja, ik sloeg door. Ik bemerkte dat ik langzamerhand een hekel begon te krijgen aan mijn medemens. Een hekel die begon te lijken op regelrechte afkeer. Dat was het moment dat ik besefte dat mijn opvoeding mij in toenemende mate parten ging spelen. Reden waarom ik diep en lang ging nadenken en vervolgens al meteen tot de conclusie kwam dat ik natuurlijk niet zo ontzettend moest generaliseren. Okay, er waren heel veel minder leuke mensen dan ik had gedacht, maar die constatering nam niet weg dat er nog altijd behoorlijk wat leuke en lieve mensen waren. En dat niet alleen. Ik was er zelf ook nog. Ik was niet geheel ontevreden over mijn eigen persoon.
En zo kon ik op geheel eigen wijze mijn persoonlijkheid verder uitbouwen aan de hand van een vooraf door mij zelf opgestelde “blueprint”.
Harder, wijzer, rationeler, ironisch, meer humor en wetenschappelijker. Veel wetenschappelijker. Niet alles meer voor zoete koek slikken! Nooit meer redeneren vanuit de onderbuik al lijkt dat nog zo aanlokkelijk. Permanente zelfreflectie. Detectie van vooroordelen. Trachten mijn medemens niet te overschatten (en dat is een behoorlijk pittige opgave, want de meeste mensen, zo leert mij de ervaring, doen zich tegenwoordig veel beter voor dan ze werkelijk zijn in het kader van de nieuwe onbescheidenheid en de modieuze extreme exaltatie van het onaantastbare zelf). Al met al probeer ik meer afstand tot de wereld te bewaren. Pure zelfbescherming.
In de praktijk betekent het proces inzake versteviging van mijn persoonlijkheid voor mij nog meer studie inzake onderwerpen die mij meer dan gemiddeld interesseren. Elke dag muziek maken. En eindeloze wandelingen in de natuur. Maar ook schrijven, heel veel schrijven. Schrijf alles maar van je af, jongen. Het komt allemaal wel goed!!

NB. Dat van die arbeiders, wat ik schreef over die ruwe bolsters en zo, dat is dus wel min of meer de waarheid gebleken. Natuurlijk zijn er allerlei sociologische processen te duiden, maar het komt er gewoon op neer dat de, vooral qua opleiding, ongeëmancipeerde arbeider is gaan behoren tot de sterk gemankeerde lagere middenklasse en de totaal ontwortelde en van alle fatsoen vervreemde onderklasse. Zij vormen het residu van het vroegere vooroorlogse niet geëmancipeerde lompenproletariaat.
Hier vinden we de gemankeerde, gefrustreerde, rancuneuze en totaal onverantwoordelijke mensen terug. De slecht opgeleide stemmers op de PVV, die zich helemaal niets meer gelegen laten liggen aan de samenleving, die maar blijven doorzeuren en klagen en die uiteindelijk het begin van het einde zullen betekenen voor de rust en het welzijn in Nederland. Deze apolitieke anti-intellectuele zielenpoten geloven in een willekeurige verzameling van paradoxale leugenachtige “waarheden”. “Waarheden”, die op den duur, onvermijdelijk, ook hun eigen ondergang zullen betekenen.
In de gelederen van die groep huist zoveel kwaadaardigheid en haat dat ik er kippenvel van krijg. Om electorale redenen wordt er heel voorzichtig met dat soort mensen om gesprongen. Zij verbieden anderen wat zij voor zichzelf met onsympathieke en luide stem opeisen. Mijn voorgevoel bedroog me twintig jaar geleden niet toen ik voor het eerst de haat, de agressiviteit en de slechtheid van deze mensen al aan den lijve ondervond. Sindsdien is het alleen maar erger geworden.

12 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Het dubbele bedrog van meneer Wilders.

Meneer Wilders is afkomstig uit de uiterst conservatieve rechtervleugel van de VVD. De bende van Bolkestein. In die kringen hebben ze bepaalde opvattingen over de economie. De woorden winst, kleine overheid, prestatie, concurrentie, verantwoordelijkheid, winners, losers en veiligheid zijn daar gemeengoed.
Op uiterst rechts in de VVD huizen de keiharde egoïstische zakenmensen die maar een credo hebben: “Ieder voor zich en God voor ons allen”.
Toen meneer Wilders populist werd moest hij dit gedachtegoed afzweren om Henk en Ingrid te paaien. Natuurlijk heeft hij dat nooit gedaan. Hij deed alleen maar alsof!! En dat is de eerste keer dat hij bedrog pleegde.
Toen kwam de dag dat meneer Wilders met de conservatief liberalen en met de rechtse confessionelen een verbond sloot. Zij mochten regeren en hij zou ze gedogen. Deze uiterst conservatieve mensen namen allerlei maatregelen op sociaal gebied waar ook de laag opgeleide achterban van meneer Wilders de dupe van werden. Meneer Wilders stak als gedoogpartner van deze uiterst rechtse regering geen poot uit om dit voorkomen. Dat was de tweede keer dat meneer Wilders bedrog pleegde.
Eén ding weet ik zeker, namelijk dat je meneer Wilders wel zult horen brullen en schreeuwen als die uiterst rechtse regering in zijn ogen niet voldoende gaat doen om de vreemdelingen buiten onze grenzen te houden en om de vreemdelingen die binnen onze grenzen verblijven eruit te schoppen.
Wat een leugenachtige mafkees, die meneer Wilders!!! Echt iemand die we nodig hebben in tijden van crises.

5 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Afspraak met Nemesis.

Herinneringen vormen het cement tussen de bouwstenen van je leven.
Zo koester ik de herinneringen aan een ver verleden in een tropisch land. Met baboes en donkere meubels van teakhout. Het stille zoemen van een ventilator. Over de vloer kruipen in een wit pakje. Naar de geluiden van het oerwoud luisteren. De zomers op Buitenzorg. Mijn vader in een smetteloos wit tropen uniform. Hij was officier. Mijn moeder, een bijzonder knappe actrice zonder talent. De rust. De harmonie. En het verglijden van de tijd. Het ging allemaal zo langzaam. De dagen. Ze duurden maar eindeloos voort. Dagen gevuld met gesprekken van volwassenen die ik nog niet begreep. Het was een paradijs. Voor mij was het mijn kindertijd.
Dit alles stopte plotseling met de komst van de oorlog. Kleine vreemde soldaten gingen door de straten en over de velden. Ik herinner me de vlag. Een rode bal met lijnen die naar alle hoeken liepen. Ik zie die vlag en ik herinner me ook het schreeuwen en het schoppen en slaan. Mijn moeder en ik, met alle mensen die wij goed kenden, verhuisden naar een soort klein dorp. Allemaal houten barakken. Je kon er niet uit. Er was prikkeldraad en er liepen overal soldaten met geweren. Mijn vader moest vechten. Ik heb hem nooit meer gezien. Hij sneuvelde in de slag om de Javazee naar later bleek.
Mijn moeder werd ernstig ziek. Zij kon niet tegen de ontberingen van het kamp. Onze buurman, een enorme dierenliefhebber, werkte in het slachthuis op het kamp. Hij moest met een kleine hamer een vastgebonden waterbuffel de hersens inslaan. Zijn gezicht werd elke dag grauwer. Hij sprak niet meer.

Ik kan me nog één naam van de vijand heel goed herinneren. Katso Nakamura. Onze persoonlijke kwelgeest. Op zekere dag viel mijn moeder door ernstige verzwakking tijdens haar zware werk in de wasserij flauw. Nakamura schopte haar terwijl ze op de grond lag. En hij bespuugde haar. Ook misbruikte hij haar op de rijstwijnfeestjes als de meeste soldaten dronken waren.
Mijn moeder ging al snel dood en ik belandde onder de vleugels van mijn tante. Een oudere zus van mijn vader. Zij zorgde voor mij op een onvoorwaardelijke manier. Ik werd haar zoon.

Toen de oorlog voorbij was en ik weer terug was in Nederland, ging ik in Leiden studeren. Natuurkunde. Tijdens de weekeinden woonde ik bij mijn tante in Zeist, die daar een van de grootste villa’s bezat. Na mijn studie ging ik werken voor een groot bedrijf dat oliebronnen exploiteerde en handelde in oliën en vetten. Mijn oom zat in de directie van dat bedrijf en woonde de langste tijd van het jaar in Engeland waar onze familie ook veel landerijen en onroerend goed bezat. Via hem werd ik als manager aangesteld in het oliebedrijf.

Vanuit mijn kamer heb ik zicht op een groot deel van Tokio. In de spiegel zie ik een oudere man. Goed gesoigneerd. Ik ben hier om met de Japanse overheid afspraken te maken over olieleveranties.
Mijn koffer ligt op het hotelbed. In het zijvak zit drieduizend dollar. Ik haal het eruit.
Via de lift ga ik naar beneden en bestel bij de hotelbalie een taxi. De taxi brengt me naar een restaurant. Achter in dat restaurant zit een zware grote man. Alleen. Ik ga zitten. Geef hem de drieduizend dollar. Ik krijg een houten doos. De doos is prachtig bewerkt. Kunstig ingelegd met ebbenhout.
Ik stap weer in de wachtende taxi en geef een adres op in een buitenwijk. Bij het adres gekomen stap ik uit en vraag de chauffeur even verderop te wachten. Achter het huis forceer ik een deur en betreedt de keuken. Door een gang kom ik in het woongedeelte. Daar zit een hele oude man. Hij is blind. Ik richt mijn pistool op zijn achterhoofd en haal de trekker over. Zijn hoofd spat uit elkaar. Het lichaam valt schokkend op de grond. Ik vertrek. Loop naar de taxi en vraag de chauffeur of hij me weer terug wil brengen naar mijn hotel.

4 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Grilligheid.

De mantel van de alledaagsheid wordt uit de hutkoffer van de saaiheid gepakt en door Klotho, Lachesis en Atropos veranderd in een oogstrelend gewaad voor het onberekenbare en grillige noodlot.

De regen striemt bijna horizontaal door de straten. Windkracht negen. Storm uit het Noordwesten. De tengere jongensgestalte maakt zich los uit het portiek. Een tram komt gillend en vals knarsend tot stilstand bij de halte vóór in De Lairessestraat.
De jongen springt aan boord. De tram rijdt weg. De nacht in. Vóór in De Lairessestraat staat een voordeur open. Een steile trap gaat naar de eerste verdieping, waar ook weer een deur open staat. In een slaapkamer ligt een meisje op bed. Zij huilt. Zij is overstuur. Zij heeft net gehoord dat hij niet meer van haar houdt. Zij staat op. Loop naar de keuken. In de la het vlijmscherpe vleesmes dat zij nog maar twee weken geleden in Zeist gekocht hebben. Zij neemt het vlijmscherpe mes mee naar de slaapkamer. Op bed liggend snijdt zij haar polsen door. Het bloed vloeit weg . Eerst op het witte laken. Dan in het matras. En dan op de grond. Het meisje wordt wit. Zij beweegt niet meer. Zij is dood. De voordeur staat nog steeds open. Door de regen komen twee oudere mensen aanlopen. Een man en een vrouw. Zij staan even verbaasd stil bij de open voordeur. De man doet de paraplu dicht. Zij lopen naar boven. De steile trap op. Zij gaan de openstaande kamerdeur door en komen in slaapkamer. Zij zien het dode meisje. En het vele bloed. De vrouw zakt op haar knieën. De man vloekt.

De zon schijnt. Het is druk. Gezellig druk in De Lairessestraat. Een jongen op de fiets stapt af en belt aan. Hij heeft bloemen bij zich. Boven gaat een raam open. Een meisje roept iets. De jongen verdwijnt in de woning. De lange steile trap op. Boven in de slaapkamer de innige verstrengeling. Eén vlees. De loomheid erna. Het lekkere eten. Een oude man en een oude vrouw bellen aan. Hartelijke begroeting. Boven in de gezellige woonkamer. Potje koffie. Lekkere pindakoeken. En veel verhalen. Herinneringen. Het leven is goed. De toekomst lonkt.

De vervallen huizen aan De Lairessestraat hangen grauw en grijs uit het lood in een stad waar dood en verderf zijn gruwelijke sporen heeft getrokken. Dood en Verderf als gevolg van die vernietigende epidemie. Onontkoombaar. Nu bijna veertig jaar geleden. Er wonen nog een paar mensen in de stad. Vóór in de overwoekerde De Lairessestraat is een huis provisorisch tot onderdak gemaakt van twee overlevenden. Zij vormen, samen met nog vijf andere mensen, de overlevenden in een stad die eens bijna achthonderdduizend mensen telde. Het virus is al lang uitgewoed. In de stad huilen nu de wolven. Ongebreideld groen is overal. In de ruïne vóór in de De Lairessestraat houden twee oude mensen elkaar stevig vast. Het zal nu niet lang meer duren. In de verte rommelt het onweer. Verder is het stil.

4 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized